Rechtbank in de wolken (2003)

Zijn grootste zorg voor Europa, verklaarde Frans Timmermans onlangs, was de groeiende roep om een sterke leider boven een verdeelde en krachteloze democratie. Ik deel die zorg en zal tot op mijn sterfbed de democratie verdedigen, als het minst slechte staatsbestel om een land te besturen: meerderheden zoeken en compromissen sluiten. Echter – en laten we het daar ook snel over eens worden – voor de kunst is democratie dodelijk. Natuurlijk mag de politiek aan de subsidiekraan draaien, maar schoonheid verwelkt door consensus en compromis. Maar helaas, in de Architectuur – de meest publieke kunstvorm – is dat niet altijd te vermijden en dan gaat het ook meteen mis.
Toen mijn oude leermeester Gunnar Daan er in 2005 mee ophield, was hij moegestreden, met als handdoek in de ring het mislukken van de Rechtbank in Zwolle. Bijna … wat scheelde het nou? … bijna was hij wereldberoemd geweest!

Bingo!

Eind jaren ’90, toen ik Chef de Bureau was op het bureau van Gunnar Daan in Oosternijkerk, werd hij door de Rijksbouwmeester uitgenodigd voor een wedstrijdje ontwerpen. Justitie had ooit het plan opgevat om alle diensten, die verbonden waren aan de Rechtsgang per stad onder één dak te brengen, en nu was Zwolle aan de beurt.
De locatie achter de oude rechtbank was veel te klein voor het immense programma. Om niet te hoog uit te komen, bedacht Gunnar een waanzinnig plan: een immense boogbrug over de oude rechtbank heen, waar een kantoorgebouw van vijf verdiepingen op rustte.
‘Kan dit?’, vroeg hij op een ochtend.
‘Dat durf ik niet te zeggen,’ zei ik, ‘maar we hebben nu al vijf keer verloren met een braaf plan. Ik zou het gewoon indienen en zien wat er gebeurt.’
En warempel, we wonnen! Hatseflats! Toen de champagneflessen in de glasbak lagen, werd er in een sinistere vergaderruimte op Hoog Catharijne en overleg gepland. Op tafel lag de luchtbrug van Gunnar en iedereen keek naar de constructeur, ir. Galjaard. De vraag was: ‘Kan dit?’
‘Nee,’ zei hij kalm. Hij legde uit dat je een kantoorgebouw van 130 meter lang praktisch gesproken niet aan de uiteinden kunt optillen. De balken zouden net zo hoog worden als het gebouw zelf. Maar … er werden nieuwe voorstellen gedaan, schetsen over de tafel geslingerd, en na een uur lag er een nieuwe schets, waarbij dat zwevende gebouw in de tuien hing. En die tuien hingen aan twee gigantische triangels met één punt op de grond. Deze wiebelconstructie werd in balans gehouden door het gebouw op het achterterrein.
‘… en dit dan?’, vroeg Gunnar.
De ingenieur toverde wat met zijn rekenmachine, fronste zijn wenkbrauwen, schraapte zijn keel en zei: ‘Hmm, ja … dat sluit ik niet uit.’
Daar gingen we mee aan de slag: het moeilijkste gebouw waar ik ooit aan heb gewerkt. De secondanten van de ingenieur kregen grijze haren, wij legden de waanzinnig complexe puzzel van de plattegronden, waarin publiek, rechters en gedetineerden overal moesten kunnen komen, zonder elkaar tegen te komen. Het was bijna niet te geloven. Een klein architectenbureau boven de boomgrens in Friesland, met het grootste zwevende gebouw ter wereld!
‘Dit gaat de hele wereld over!’, zeiden we trots.

De hoeders van de stad

Een hindernis van geheel andere orde was het aanpassen van het bestemmingsplan, want ook al lag het kantoor overdwars, het was nog steeds 42 meter hoog en stond in de nabijheid van het centrum, vlak bij een woonwijk. Omdat de wijziging van een bestemmingsplan niet zonder bezwaarprocedure kan worden geregeld, werd er een informatieavond belegd met koffie en gebak. Daar kwamen de omwonenden op af, maar ook de Hoeders van de Stad. En dat liep dus faliekant fout.
Gunnar sprak niet de taal van het volk, en hij bezat niet de gave van Hans Wiegel, die ooit bij het beklimmen van een spreekgestoelte voor ‘lul’ werd uitgemaakt en toen zei: ‘Fijn dat u zich voorstelt, mijn naam is Wiegel.’ Gunnar vond, dat hij de wereld een dienst bewees. Hij voelde niet de woede aan van de sociale onderklasse, die door de hoge heren een monster door de strot werd geduwd. Kortom: De volgende dag schreeuwde De Stentor moord en brand!
Gelukkig schaarde de Rechtbank zich achter ons plan, want ieder ander ontwerp zou nog hoger uitpakken met de stad was overeengekomen, dat er zou worden uitgebreid. Met vereende krachten gingen wij door en – lang verhaal kort – we speelden het klaar. Compleet zwart op wit, doorgedacht en doorgerekend. Zodra het bestemmingsplan was aangepast, kon de Bouwaanvraag worden ingediend. Maar toen sloeg het noodlot toe, dat wil zeggen: De Politiek.
Het Rechtbankproject was inzet geworden bij de Gemeenteraadsverkiezingen van 2002 en natuurlijk won de oppositie. Het volk had gesproken: het plan moest van tafel. Vervolgens dreigde de President van de Rechtbank, met medeneming van de werkgelegenheid, naar Lelystad te vertrekken, en werd het dus hoog tijd om te polderen. Het werd stil. Op een dag belde Kramer van de Rijksgebouwendienst.
‘We kunnen door,’ zei hij, ‘maar we mogen niet hoger dan 38 meter, net zo hoog als het ziekenhuis verderop: Kan dat?’
‘Wie ziet nu vanaf de straat het verschil tussen 42 en 38 meter?’, mopperde Gunnar, toen ik hem het nieuws bracht. Hij had natuurlijk gelijk, maar dit was geen architectuur. Dit was politiek. Beter een aderlating, dan een bloedbad.
Er kon geen verdieping af, dus moesten we de hele bouwmethode aanpassen. Alles werd nog veel ingewikkelder, maar ook die problemen losten we tenslotte op en een jaar later lag alles opnieuw klaar en helemaal doorgerekend. Maar 2% boven budget! Het was niet te geloven!
‘Nog even wachten met indienen,’ zei Kramer van de Rijksgebouwendienst toen, zonder toelichting.

Mes in de rug

Een week later belde Kramer weer. Justitie had een contra-expertise laten uitvoeren. Ze hadden twee dagen naar ons plan gekeken en geconcludeerd dat het 10% te duur was. Dus trok Justitie de stekker eruit.
‘Dat kan niet!’, riep ik. ‘Niemand kon dit gebouw in twee dagen narekenen.’
‘Het is zoals het is,’ zei Kramer en ik verbond hem door met Gunnar. Die was ontroostbaar en woedend. In de krant stond dat de zwevende Rechtbank van Gunnar Daan niet doorging, omdat hij 10% boven budget zat. Daar ging verdomme ook mijn goede naam! Ik begreep niet wat er was gebeurd.
Tijdens een afsluitingsdinertje nam ik Kramer apart.
‘Ik doe geen oog meer dicht,’ zei ik, ‘als ik niet snap wat er is gebeurd.’
‘Justitie heeft haar beleid gewijzigd,’ fluisterde hij toen. ‘Alles hoeft niet meer op één locatie. Als het al was aanbesteed, was het doorgegaan, maar omdat er nog geen vergunning ligt, hebben ze de stekker eruit getrokken.’
‘Maar dat hadden ze toch ook gewoon kunnen zeggen.’
‘Als een ontwerp 10% te duur is, hoeven zij de rekening van de Rijksgebouwendienst niet te betalen. Dus moest het 10% te duur worden.’
‘Jullie zijn dus ook genaaid!’, zei ik.
‘Het is zoals het is,’ zei hij laconiek.

Vals spel begreep ik, en opgelucht vertelde ik het verhaal aan Gunnar, maar voor hem werd het alleen nog maar erger. Justitia, de Overheid, de Wereld had hem een mes in de rug gestoken.
Natuurlijk zullen we nooit weten, of dit waanzinnig moeilijke gebouw bij aanbesteding ook echt binnen budget was gebleven. En het plan was misschien ook zonder die noodlottige bijeenkomst wel afgeschoten door de nieuwe raad. Maar, denk ik af en toe nog wel eens, stel je toch eens voor als het echt was gebouwd …

Bekijk ook...

De rechtbank van Gunnar Daan

Rechtbank in de wolken (2003)

Zijn grootste zorg voor Europa, verklaarde Frans Timmermans onlangs, was de groeiende roep om een sterke leider boven een verdeelde en krachteloze democratie. Ik deel die zorg en zal tot op mijn sterfbed de democratie verdedigen, als het minst slechte staatsbestel om een land te besturen: meerderheden zoeken en compromissen sluiten. Echter – en laten we het daar ook snel over eens worden – voor de kunst is democratie dodelijk.

Afspraak met Brenda

Toen ik met een kop koffie weer op mijn werkplek zat, trof ik in mijn mailbox een bericht aan van een zekere B. Schrijver. Die naam kwam me niet meteen bekend voor. In het onderste venster las ik de korte tekst: Hallo Herman, zou je even contact willen opnemen? Groet Brenda. Plus de automatische melding dat het bericht vanaf een iPhone was verstuurd. ‘Kennen wij een Brenda Schrijver?’, vroeg ik mijn collega aan de overkant.

De ploeg van BBF en ik, de opzichter van IHN. Beide bedrijven bestaan niet meer.

Een brief van mevrouw Odijk (1981)

In de tijd dat ik opzichter was bij de renovatie van de Hollanderwijk in Leeuwarden, kreeg ik van de Woningstichting een brief in handen gespeeld. Ik keek naar de afzender. ‘Odijk? Ken ik niet,’ zei ik, ‘en Nieuwe Hollanderdijk met een oneven nummer? Dat zijn toch geen woningen van jullie?’ ‘Nee,’ zei de directeur, ‘maar je kunt altijd een kijkje nemen. Wij houden niet van brieven.’ Deze brief was geschreven in een onwillig handschrift en dwingend van toon: Beste Woningstichting, dit kan zo niet verder …