Zondvloed (1991-2003)

Water (1991) 

De directeur van de Autobussenfabriek had gevraagd, of ik onmiddellijk wilde komen. Er was iets met het plafond, zei hij. Bij de deur ving hij me op en liep meteen door naar de reparatieloods, waar bij mijn weten geen plafond was aangebracht. Toen hij de deur opende, drong de ravage stapsgewijs tot mij door. De vloer was nat, en het was opmerkelijk licht … om dat achterin de loods het dak was ingestort. Hij liep door. In het voorbijgaan constateerde ik dat de enorme smeerput vol stond – later rekende ik uit: 70 kuub, dat is 70 ton. Eén stalen dakbalk was dwars door een autobus gestort en lag aan weerszijden op de vloer. De overheaddeuren waren als door een kudde olifanten naar buiten gedrukt. De directeur wees naar boven. Ik begreep nu wat hij bedoelde met plafond>
‘Zijn er slachtoffers?’, vroeg ik timide.
‘Nee, het gebeurde toevallig tijdens de lunchpauze.’
‘Jezus!’, ontsnapte mij. Hij knikte bevestigend.
Inmiddels had mijn linker hersenhelft de situatie technisch geanalyseerd. Ik liep naar buiten en keek argeloos omhoog. Geen spuwers. Dacht ik al. Door een defect aan de regenafvoer had zich op het dak 90 ton water verzameld, waardoor het was bezweken. Alle staal was verwrongen. De loods was rijp voor de sloop, en zeer binnenkort zou iemand gaan uitzoeken, wie hiervoor verantwoordelijk was.

Ik adviseerde de directeur alle betrokkenen aansprakelijk te stellen, inclusief ons bureau, en beloofde ook zelf op onderzoek te gaan. Iedereen was verzekerd, dus de loods zou worden herbouwd. Hoe het met de bussen zat, wist hij zelf beter. Terug op kantoor dook ik meteen het archief in, op zoek in mijn bestek naar de spuwers.
‘God zijn dank,’ zuchtte ik, toen ik ze vond. Ik was schoon.
‘Wat was er aan de hand?’, vroeg een collega.
‘De loods is ingestort. Juist tijdens de lunchpauze.’
‘Jezus!’

Jezus (2003)  

Het was warm op het tennispark. Toen ik mijn tegenstander voor de tweede maal had gebroken, nam ik bij de wissel iets meer tijd. Ik vroeg wat hij deed. Hij werkte op een autobussenfabriek.
‘Verrek,’ zei ik, ‘zat jij daar ook al, toen het dak van de reparatie-loods instortte?’
‘O ja,’ lachte hij vriendelijk, ‘ik zit daar al 20 jaar. Soms denk ik weleens … maar je weet hoe dat gaat.’
‘Ik werkte toen bij de architect,’ zei ik. ‘God, wat een bende. En wat een geluk dat het in de middagpauze is gebeurd. Als er iemand binnen was geweest, had hij wel dood kunnen zijn.’
Ik pakte mijn racket op, ging staan en klopte het gravel uit het profiel van mijn schoenen.
De man leek na te denken en keek me toen onderzoekend aan.
‘Ik kan het nu wel vertellen, denk ik. Maar toen het gebeurde was de loods niet leeg. We hadden in die tijd een knaap aan het werk, die zat bij de Jehova’s. Geen slechte jongen, maar … nou ja, een heel ander soort humor. Dus in de pauze ging hij in een bus zitten en dan las hij in de Bijbel.’
‘Jezus,’ zei ik, ‘zat hij die bus, waar dat dakspant dwars doorheen is gedonderd?
‘Ja, op de achterbank. Hij is bijna verzopen. Zijn brilletje vonden we de volgende dag in de smeerput. De baas mocht het niet weten, anders waren we er allemaal bij geweest. Regels … weet ik veel. We hebben hem achterom afgevoerd en naar huis gebracht. Het is nu onderhand 12 jaar geleden. Jij bent de eerste die het van me hoort.’
‘En er mankeerde hem niets?’
‘Ik geloof het niet, niet lichamelijk in elk geval,’ zei de man, ‘maar hij is nooit weer teruggekomen.’
Hij schudde mistroostig zijn hoofd en liep naar de baseline. Ik vroeg me af, of die man ooit weer een Bijbel heeft ingekeken. Ik vrees dat ik daar nooit achter kom, maar hoop doet leven.
‘Klaar!?’ Toen serveerde ik, met topspin door het midden.

Eerder gepubliceerd in de bundel De Juiste Dosis ©2013

Bekijk ook...

Ooit mijn bureau bij Gunnar Daan

Soldaat in vredestijd

De volgende ochtend, op de bouwplaats van de nieuwe woning van Fokko en Margreet, deed ik eerst een rondje met de aannemer. Toen die Fokko zag naderen, zei hij: ‘Ik moet weg, tot kijk.’ Fokko was opeens ook verdwenen. Ik vond hem bij een timmerman, die met een PUR bus in de weer was. Hij zei niets. Hij rookte. Ik gaf hem een hand en nam hem mee de steiger op. ‘Over de isolatie in de houtskeletgevels,’ zei ik. Ik had een dag eerder een lange mail ontvangen met tijdsmelding 4:23.

Gevalletje Wateraccumulatie

Zondvloed (1991-2003)

De directeur van de Autobussenfabriek had gevraagd, of ik onmiddellijk wilde komen. Er was iets met het plafond, zei hij. Bij de deur ving hij me op en liep meteen door naar de reparatieloods, waar bij mijn weten geen plafond was aangebracht. Toen hij de deur opende, drong de ravage stapsgewijs tot mij door.

Vensters en deuren

Toen ik de parkeergarage binnenreed, realiseerde ik me dat de routebeschrijving nog op mijn bu-reau lag en mijn portemonnee thuis op de radiator lag te drogen. Op goed geluk stak ik via het Damrak door naar de Nieuwezijds en vond tenslotte de straat. Mijn zakelijke outfit viel gaandeweg meer uit de toon. Links en rechts verschenen rood verlichte dames in vensters en geen enkele voordeur droeg de naam die ik zocht.