Hello Mr Rundgren (is it you?)

Een Tafel voor twee

Toen ik de Youtube-link van mijn tv interview met Assie Aukes voor Omroep Sudwest ontving, wachtte ik tot mijn vrouw thuiskwam, voor ik ernaar durfde te kijken.
‘Doe ik altijd zo raar?’, vroeg ik onthutst, maar mijn vrouw herkende die druktemaker op het scherm wel. Half gerustgesteld stuurde ik de link door, met voorbehouden omkleed, naar mijn vriend de psycholoog. Die trapte onverbiddelijk door mijn ongemak heen en appte: Waarom ben je dan op die uitnodiging ingegaan?
Ik toetste terug: IJdelheid natuurlijk, maar in het diepst van mijn ziel ben ik een missionaris. Als er na die uitzending maar één persoon is, die bij zichzelf denkt: laat ik die Rundgren eens intoetsten op Spotify of Youtube, dan is dit narcistische avontuur niet helemaal voor niets geweest.

Na de avondmaaltijd vond ik zijn reactie: Ik begrijp je. Narcisme met mate kan volgens mij geen kwaad.
Wat hij evenwel niet begrijpt, is mijn liefde voor Todd Rundgren. Ik neem hem dat niet kwalijk, maar het werpt wel een schaduw over onze vriendschap, terwijl Todd Rundgren juist de zonnige kant van het leven belicht. En als het eens niet meezit, biedt hij altijd hoop. Toch besloot ik onze communicatie met: Dank, je troost me. Niet helemaal eerlijk, maar wel oprecht. Het was tenslotte mijn eigen schuld, dat ik deze doodlopende steeg van onze vriendschap was ingelopen.

De weg terug naar Paradiso

Al sinds december stond de datum 3 april 2019 in mijn agenda omcirkeld. Op het grote Feestboek las ik, dat Todd Rundgren in Paradiso zou spelen. Tien minuten later had ik twee kaarten geboekt en vroeg ik mijn vrouw, of ze zin had om mee te gaan. Dat wilde ze wel, want aan de vorige ontmoetingen met dit genie bewaarde ze goede herinneringen. Af en toe zette ik weer eens een LP van Todd Rundgren op en verzuchtte dan: ‘God, wat is dit mooi!’
‘Ja hoor,’ zei ze dan, terwijl ze iets recreatiefs op haar IPad deed. Ik hou natuurlijk ook van haar, maar op een andere manier.
De dag voor het concert, tijdens het jassen van de piepers, verzuchtte ik: ‘Ik hoop maar, dat hij bij stem is …’
Mijn vrouw bevestigde dat de griep heerste, met een verwijzing naar één van de kleinkinderen, en dat zij was zelf ook wel eens fitter geweest. Dat was niet waar ik op doelde, want de stem van Todd Rundgren zit bij mij heel diep. Als ik voor een volgend leven ooit een stem mag uitzoeken, dan is dat juist die stem. Van Morrison en Gram Parsons ontroeren mij misschien nog wel meer, maar ze maken me niet gelukkig. En bij de vorige twee Rundgren concerten zat de sleet er wel op, zeker in de eerste set. Zo leefde ik tussen een hoop en vrees, die niemand begreep.
Zeventig?, had een jeugdige collega gezegd, dan mag je al blij zijn dat hij nog leeft!

Brief aan een vriend

In 2015 schreef ik iedere dag een brief aan een vriend in nood. Op 9 mei schreef ik onder de aanhef Publieke tranen:

Goede vriend, de laatste keer dat ik in het openbaar huilde is drie en een half jaar geleden. Todd Rundgren zou met het Metropool Orkest zijn grootste successen spelen. Ik wist niet precies wat ik me daarbij moest voorstellen. Op een dag moest ik, denken aan mijn eerste kennismaking met Todd Rundgren. Ik was 18 en met Henk Kort mee naar huis gegaan. Midden in de woonkamer stond een vleugel. Alles ademde schoonheid. Henk hield van klassiek, dus dacht ik dat Todd Rundgren een neef van Edvard Grieg was, maar hij was een popmuzikant uit Amerika. In de importbakken had Henk diens vergeten tweede LP gevonden. Hij legde hem op de draaitafel, ging zitten en zei helemaal niets. Zelfs zijn shagje legde hij half afgebrand in de asbak. Ik volgde zijn voorbeeld, zette de sluizen wagenwijd open en genoot. Vooral de eindeloze droefheid van The Wailing wall raakte me diep …
… ‘The Wailing wall!’, riep ik.
‘Waar heb je het over?’, vroeg mijn vrouw.
‘Als hij één keer in zijn leven een orkest ter beschikking heeft, dan móét hij The Wailing Wall doen.’
‘Is dat één van zijn grootste successen?’
Kut, nee, niemand kende die tweede LP.
Enfin, op 25 september 2011 na de pauze zette de pianist van het Metropool een recital in, die ik niet herkende. Na drie minuten liep Rundgren naar de microfoon en zong, oneindig droevig: ‘There’s a grand old maid across the sea. So the story was recalled to me. And from dawn till dark, you hear her call, down in front of the wailing wall ...’ Mijn krop schoot vol – ik nam haar hand – en tranen liepen over mijn wangen.
‘Is dit het?’, fluisterde ze lief.

Lucky Guy

Als ik een lijflied heb, dan moet dat Lucky Guy zijn van Todd Rundgren uit 1978. Aanvankelijk was het gewoon een leuk liedje, vreemd ook, eerder een hymne. Het gaat over een man, die alles mee heeft. ‘Some people don't seem real at all, unafraid of any mountain, sure that the gods won't let him fall. And should he fall, he will always get up again …’
In mijn missionaristijd stelde ik bandjes voor vrienden samen, en voegde daar ook vaak Lucky Guy aan toe, als curiositeit. Maar toen de dagen van mijn bestaan donkerden, werd Lucky Guy steeds meer een houvast. Ofschoon ik voor mijzelf geen hoop had, vond ik toch troost in de illusie, dat ergens ter wereld een Lucky Guy moest zijn.
Tenslotte vond ik een nieuwe liefde, de zon brak door en bij onze tweede ontmoeting nam ik een samengestelde cd voor haar mee met de titel: Lucky Guy. Pas tijdens onze vakantie op de Duitse Autobahn realiseerde ik me, dat Lucky Guy al die tijd over mij ging. Die laatste zin klonk achteraf profetisch: ‘… I wish I was that Lucky Guy.’

3 april 2019

Omdat mijn vrouw wilde zitten, waren we ruim op tijd. Vanaf de eerste ring zagen we de mooiste zaal van Nederland zagen volstromen. Weer vroeg ik bezorgd of het ging. Ze haalde haar schouders op. ‘Beter dan in de pizzeria,’ zei ze.
Een oude hippie naast me huurde mij in, om zijn ongenoegen te uiten over het ontregelde openbaar vervoer en de rest van het bestaan. Hij verklaarde kunstschilder te zijn en meende daarom Hockney te mogen hekelen, omdat die zich van truckjes bediende.
‘Ik heb geen verstand van kunst,’ bekende ik. ‘Ik ben maar een liefhebber.’
Vervolgens legde hij me uit, dat er geen liefde zat in dat elektronische gedoe van tegenwoordig, en dat Todd Rundgren de enige echt integere popmuzikant was. Zo had ik het nog nooit bekeken – ik heb ook geen verstand van muziek – maar ik had ook geen behoefte om de man tegen te spreken. 

Het concert begon stipt op tijd en zijn stem was ongelooflijk goed – prachtig! – maar hij werd bedolven door de rockband, die alle successen uit de jaren zeventig snoeihard speelde. Sometimes I don’t know how to feel zong hij, en zo voelde ik me ook. Ik klapte beleefd, maar ging niet uit mijn dak. Ook geen tranen van ontroering. Waarom vertoonde hij op een groot scherm beelden, die een overzicht van zijn carrière gaven? Was hij soms terminaal? Waarom liep hij als een schoolmeester heen en weer en vroeg hij ons (mij!) mee te klappen? Opeens werd ook die playlist in mijn kop een diavoorstelling. De oude hippie zakte ook diep weg in zijn stoel. Toen Todd na anderhalf uur plotseling achter het gordijn verdween, schreeuwde het publiek om een toegift, maar hij bleef weg. Absurd!
‘Zullen we gaan?’, stelde ik voor. Eenmaal op straat vreesde ik, dat hij in mijn afwezigheid achter de keyboards zou gaan staan en Lucky Guy zou zingen. Maar de volgende dag las ik in de NRC, dat het een misverstand was. Het was nog maar pauze. Daarna kwam hij terug om vragen uit het publiek te beantwoorden (???) en nog wat recent werk te spelen. Hoe was het?, vroegen ze op mijn werk. Een geweldig concert, zei ik aanvankelijk, en misschien was het dat ook wel, maar het lukte me niet mezelf te overtuigen.
Aan mijn vriend de psycholoog appte ik: Het is niet zijn falen, maar mijn teleurstelling, waar ik mee moet omgaan.
Hij antwoordde: Met een teleurstelling moet je niet omgaan. Gewoon, huppetee, overheen stappen.

Dat heb ik bij deze gedaan. En misschien lukt het mij ooit om die drie Rundgren concerten in mijn corrupte geheugen samen te voegen tot een beeld: met een beheerst Metropoolorkest in Paradiso zingt hij dan Wailing Wall, met stem van 3 april. Het is het proberen waard.

Bekijk ook...

Love and Affection - Joan Armatrading

‘Vloek niet zo!’, maande mijn vrouw streng en ze had gelijk. Ik meende zelf ook, dat ik die katholieke jeugdzonde achter me had gelaten. Maar aan een lantaarnpaal op de Sinnebuorren in Joure zat een aankondiging gekleefd: Joan Armatrading kwam in de Oosterpoort. Na het geluksprongetje, zag ik dat de datum enkele dagen achter mij lag en toen floepte het eruit.

Cowboy Jimmy en zijn paard Sunshine

You are my sunshine

Omdat er zaterdag niets op tv was, drukte ik de dvd van ‘O Brother where art thou’ maar weer eens in de player. Eén van de redenen, waarom ik van deze film houd, is de prachtige rootsmuziek. Drie ont-snapte gevangenen en een ‘darkie’, scoren in de film als The Soggy Bottom Boys een hit met Man of constant sorrow. Maar er zit ook blues en gospel in, plus één mega-oorwurm, die sinds zaterdag in mijn kop zit.

Hello Mr Rundgren (is it you?)

Toen ik de Youtube-link van mijn tv interview met Assie Aukes voor Omroep Sudwest ontving, wachtte ik tot mijn vrouw thuiskwam, voor ik ernaar durfde te kijken. ‘Doe ik altijd zo raar?’, vroeg ik onthutst, maar mijn vrouw herkende die druktemaker op het scherm wel. Half gerustgesteld stuurde ik de link door, met voorbehouden omkleed, naar mijn vriend de psycholoog. Die trapte onverbiddelijk door mijn ongemak heen en appte: Waarom ben je dan op die uitnodiging ingegaan?