Oh Zalen! Oh Schaaf!

Toen een prille collega enthousiast verslag deed van haar eerste bezoek aan de zieltogende Zalen Schaaf te Leeuwarden, waar een oude ‘muziekman’ uit de stad een emotioneel betoog had gehouden [‘Wobbe van Seijen?’ – ‘Zou best kunnen.’], was het of zij en niet ik aan het sterfbed van mijn oude vriend had gezeten. Neen niet Wobbe, oelewappers! Zalen Schaaf natuurlijk! Want een gebouw is dan wel van steen, maar iedere ruimte heeft een ziel, waar je van kunt houden. Het thema van de bijeenkomst was naar verluid: Is er leven na de dood? Ik weet dat natuurlijk ook niet, maar het kan nooit kwaad om voor alle zekerheid in een hiernamaals te geloven.

Zodra ik die avond op de A7 mijn cruise control had aangeklikt, werd ik bevangen door weemoed, vanwege alle dierbare momenten die ik met ‘mijn vriend’ had gedeeld.
De eerste keer – vermoedelijk eind jaren 70 - wist ik niet meer, maar de laatste keer dat ik de Zalen Schaaf bezocht, was twintig jaar geleden voor Mary Gauthier [‘Say Go-Shay, ye’all!’]. Uit het oog, zoals dat soms gaat, maar niet uit het hart. En al die beelden van weleer regen zich als vanzelf aaneen tot een nieuw verhaal.

De Legendary Stardust Cowboy

Het aller slechtste optreden, dat ik ooit heb gezien was van de Legendary Stardust Cowboy, die door de VPRO was gehypet als Cow-Punk. Flits – weer zag ik mezelf onthutst staan kijken naar een rammelende punkband met een John Denver lookalike, die steeds ‘Jippy!’ schreeuwde, zijn hoed in de lucht gooide en dan tussen de trommels van de drummer weer opraapte. Even vroeg ik me af, of dit misschien zo geniaal was, dat ik er niet bij kon, maar we stonden met zijn allen gewoon voor lul! Ik zocht naar houvast onder het publiek, liep naar een vage kennis – Gerrie Ofzo – en vroeg wat hij ervan vond.
‘Kut, man!’, schreeuwde hij, ‘ga je mee?!’

Toen de zaaldeur zich achter mij sloot voelde ik me bevrijd. Gebroederlijk, met een vent die ik nauwelijks kende, daalde ik af naar de onderbuik van Leeuwarden, toen mijn stad. Gerrie Ofzo nam me mee naar een kroeg met veel kortgeschoren tuinbroeken, die mijn smeulende libido tijdelijk onklaar maakten. Hij haalde bier en hield maar niet op over zijn vriendin, die vruchteloos zwanger wilde worden. Het ging thuis nergens anders meer over, klaagde hij, daarom was hij maar naar die Cowboy gaan kijken. Machteloos hoorde ik hem aan. Ik kon hem niet helpen, als ik dat al zou willen, want wat had ik daar eigenlijk mee te maken!? Toen hij ging pissen, liep ik de deur uit en ging dansen bij Ode tot ik moe was.

Ballade van een necrofiel

Het beeld in mijn hoofd schakelde door naar een stoeltjesavond in Schaaf. Er stonden grapjassen en liedjesmannen op het programma, maar mijn vriend Kees had dwingend gevraagd of ik ook kwam. Het ging niet goed met hem.
‘Het gaat zo beginnen,’ zei het meisje bij de deur. Ik rende de trap op en zocht mijn vriend. In zijn witte pak zat hij op een ongemakkelijke kantinestoel. Er was geen zitplaats meer, maar ik kwam even naast hem staan en legde een hand op zijn schouder. Door de dunne stof van zijn jasje voelde ik enkel botten, geen vlees. Hij keek op, zijn ogen naar binnen gekeerd, en zei niets. Die vervloekte coke, dacht ik.
‘Pot bier?’, vroeg ik maar.
‘Straks,’ zei hij mat. Omdat Hans Dorrestijn geen bluesband was, ging het buffet achterin pas in de pauze weer open, verdomme.

Na het laatste applaus bestelde ik twee bier. Toen mijn vriend zijn koude belofte kwam inlossen en we onze glazen hadden gekinkeld, vroeg ik bezorgd of hij wel genoeg at. Hij schoot in de lach.
‘Waar is je vlees, man?’, vroeg ik.
Weer greep ik naar zijn schouder en op dat moment realiseerde ik me, dat dit de eerste keer was dat ik mijn vriend echt had aangeraakt. Dat ontroerde mij weer, bijna veertig jaar later met 105 km/u op desnelweg. Zijn antwoord is mij niet bijgebleven.

Fata Morgana

Tijdens een memorabel concert van het Sir Douglas Quintet – inclusief het historische orgeltje van Augie Meyers – had ik intens gedanst. Misschien was het ook bij Link Wray. Links en rechts had ik per ongeluk mensen geraakt – sorry, man! – en ik was kletsnat. Iemand had mij een biertje aangereikt, dat ik gulzig naar binnen goot, toen van achteren twee handen om mijn buik werden geslagen. De lichte druk van twee borsten onder mijn schouderbladen liet geen twijfel. Vriendinnen zouden zich meteen bekend maken en mijn zusjes kwamen niet in Zalen Schaaf. Een wilde vrouw. Mijn ongemak zat hem niet alleen in het feit, dat ik haar vermoedelijk zou vloeren als ik me onverhoeds omdraaide, maar ik had thuis een lieve vriendin en was bovendien ongeneeslijk monogaam. Haar rechterhand wreef over het zachte hoogland rond mijn navel.

Verderop stak mijn broer lachend een hand op. Het moet dus toch bij Johnny Guitar Watson zijn geweest.
‘Dank je,’ zei ik over mijn schouder, ‘zo is het wel goed,’ en liep weg. Gelukkig liet ze los.
‘Wat was dat?’, vroeg mijn broer geamuseerd.
‘Welbehagen,’ zei ik. Dat woord ken ik alleen uit een kerstliedje. Het moet dus rond de kerst zijn geweest. Ondertussen keek ik achteloos rond, maar geen enkele vrouw met haar je-weet-wel op de juiste hoogte zocht oogcontact. Misschien toch een misverstand. Wat maakt het ook uit? Er waren vrienden, er werd veel bier gehaald en ik was gelukkig. Niettemin droomde ik die nacht heimelijk van de handen van Fata Morgana.

Dear John

Toen de jongens een nacht bij mijn ouders logeerden, lukte het mij eindelijk weer eens mijn vrouw mee te krijgen naar een concert. Ilse de Lange speelde in Schaaf. We gingen bijtijds weg, want zij wilde zitten. Ik parkeerde op het Zaailand en leidde haar stevig gearmd door de stegen van de stad. Terwijl we samen naar binnenliepen, vroeg ik of ze hier wel eens eerder was geweest. Natuurlijk was ze wel eens mee geweest, al wist ze niet meer voor welk concert. Al snel bleek, dat ze met vriendinnen van vroeger had afgesproken en dat zij zich met of zonder Ilse prima zou vermaken. Gelukkig maar.

En ik, ik was in de loop der jaren een beetje kritisch geworden. Het was in de tijd van haar eerste platen. Ilse was een schatje, maar eerlijk gezegd vond ik haar band erg matig. Pas toen ze een set met covers van John Hiatt inzetten, viel alles op zijn plek. Ik voelde het komen, ja!, een magische climax! ‘… Driving like rain, or a runaway train. Flying blind, shot from the dark in the back of my mind!’ Ik kan het nog, dacht ik voldaan.

Toen ik met een knellende Spa Rood blaas naar huis reed, vroeg ik of ze het leuk hadgevonden. ‘O ja hoor, … John Hiatt!’, zei ze toen, ‘die hebben we daar toch ook gezien?’
Twee keer zelfs, dacht ik. Zoveel herinneringen, zoveel beelden, zoveel muziek en zoveel vriendschap.

Oh Zalen! Oh Schaaf! Alles gaat uiteindelijk naar de bliksem, maar in Gods Naam, nu nog niet.

Bekijk ook...

Herman & Hedzer

De laatste dans: Listening wind (1987)

Mijn vrouw was al naar bed. De kleine sliep, maar ik was onrustig, die laatste zomer in de stad. Het oude huis, dat naar mij rook als een oude trui, gaf niets terug. Ik trok mijn witte laarsjes aan en, vooruit, deed nog eenmaal mijn gouden sjaal om. Voorzichtig trok ik de deur achter mij dicht en snoof de avondlucht diep in mijn longen. Met verende tred, op zoek naar mijn ritme, liep ik naar het centrum.

Is Clapton God?

Dr John schreef in zijn autobiografie Under the Hoodoo Moon: ‘I figure the more talent there’s in people, the bigger pain in the ass they usually are. But there are guys like Eric Clapton, who disprove the rule … he’s a real sweetheart.’

Live at Leeds in mijn platenkast

My generation (1970)

Mijn vriend Willem zette de buizenradio aan. Met het oplichten van het controlelampje naderde een bromtoon met een gevaarlijke krikkelkrak. Hij freubelde aan een kabel – krrrk! – en lichtte het deksel van de grammofoon. Uit een bruine hoes gleed een langspeelplaat.