Afscheid van een kamerplant

Toen ik mijn vrouw bij thuiskomst met overgave zoende, voelde ze anders aan.
‘Is er iets?’, vroeg ik.
‘Hij is weg,’ zei ze met een ondertoon van spijt en berusting.
‘Dat is waar ook! Je hebt meneer Theo naar het tehuis gebracht … of is het een pleeggezin?’
‘Nee, nee, hij staat in een tuinkas, tussen de andere cactussen. Ach, je had hem moeten zien. Hij stond daar zo stoer. Zij smolt ook helemaal, die mevrouw. Och, ze was heel blij met hem en vroeg zelfs of ik er iets voor wilde hebben?’
‘Wat heb je gezegd?’
‘Nee natuurlijk. Dat zou niet goed voelen.’
‘Eens,’ gaf ik grif toe, ‘ik voel dat ook wel zo. Maar ik ben gewoon benieuwd, om te weten, of daar nog geld in zit? Want voor hetzelfde hadden we hem in de container gemieterd, toen hij de kleine meid had geprikt. Zeg nou zelf, je zou mij op straat zetten, als ik jou kleinkinderen zou prikken …’
Ze hoorde me al niet meer en keek naar buiten, waar de dag onbestendig ten einde liep. Ik besloot nog even niet te vragen, wat er op het menu stond.

Een drama voltrekt zich

Misschien moeten we even bij het begin beginnen. Zo’n twee weken geleden steeg er een ijselijk gehuil op vanuit de werkkamer. Haar kleindochtertje was geprikt door een cactus, die in de hoek van de werkkamer op de vloer stond. Als ik heel eerlijk ben, was het ding mij nog nooit opgevallen. Waarschijnlijk omdat het maar een cactus was. Ik bedoel, ze staan daar maar wat met die stekels en ze hebben niet eens water nodig. Dus toen de pijn niet meer krijsend werd beleden, stelde ik het kleine meisje voor, om dat gemene ding in de container te gooien. En meteen kreeg ik van mijn vrouw de wind van voren! Of ik wel wist hoe oud hij was!? En of ik wel had gezien hoe mooi hij was? Ik ben meteen maar eens gaan kijken. Hij was lang en erg stekelig, maar bovenin vertakte hij en droeg hij een grappige bladerkroon. Hij was ruim dertig jaar oud en had haar eigen bloedjes van kinderen nog zien opgroeien, en ja, misschien zelfs wel geprikt. Na de scheiding had ze hem laten staan, maar een jaar of vijf geleden had haar ex hem alsnog langs gebracht en toen had ze hem maar in de werkkamer voor het raam gezet.
‘Is Henk hier geweest?’, vroeg ik verbaasd.
‘Dat heb ik je echt wel verteld,’ zei ze, ‘maar jij luistert nooit.’

Kortom, de cactus lag gevoelig. Maar hij was inmiddels ook een probleemgeval, want als hij daar bleef staan, kon je wachten op het volgende drama. Kleine kinderen spelen nu eenmaal graag op verboden plekjes. En een hogere plek kon ook niet, want hij was nogal labiel geaard. Zo eindigde het drama dus in besluiteloosheid.

Toch was mijn interesse gewekt. Ik stelde voor om hem meneer Theo te noemen, naar Theo van Gogh, de beste interviewer ooit, die na ieder ‘Prettig gesprek’ zijn gast een cactus cadeau deed, die hij of zij dan moest zoenen. Een briljante metafoor voor de symbiose tussen liefde en pijn.

Het afscheid

Maar het leven gaat door en in het weekend brak warempel de zon door. Na een uitstapje thuisgekomen besloot ik de laatste fles rosé van de zomer maar aan te spreken. Toen ik naar de werkkamer riep, dat ik had ingeschonken, riep ze: ‘Ja, ik kom.’ In ons jargon betekent dat: Eens zal ik komen. Daarom nestelde ik mij op onze veranda en rolde voldaan het koude glas langs mijn wang. Juist toen ik mijn glas leeg op tafel zette, kwam mijn vrouw er opgetogen bij zitten.

Ze had een tehuis gevonden in Eenrum. Ik beken, dat ik even moest schakelen, want hoewel de ouderdom onverbiddelijk met gebreken komt, was de aftakeling nog niet definitief ingezet. Maar toen ze vertelde, dat ze de cactusvereniging een foto had gemaild, begreep ik dat het om meneer Theo ging. Inmiddels had ze antwoord ontvangen van de voorzitster: ze hadden het in het bestuur besproken en unaniem besloten, dat zijzelf onze cactus wel wilde opvangen.
‘Ze was heel enthousiast,’ vertelde mijn vrouw verheugd.
‘Heeft ze ook geschreven hoe hij heet?’, vroeg ik, omwille van de conversatie.
‘Ja, eens kijken, waar staat het?’ – ze keek op haar telefoon – ‘Pachipodium.’
‘Het is een artiest!’, lachte ik, maar ze was nu even niet ontvankelijk voor ongein.

De avond voor het afscheid moest ik even helpen om meneer Theo zacht maar ook veilig in de auto te installeren, waarbij ik me – shit – prikte. En warempel, u wilt het misschien niet geloven, maar toen ik hem daar zo ingeklemd voor de achterbank zag staan, geschraagd in de kussens, zijn kuif voor het raampje van het achterportier, voelde ik toch iets warms vanbinnen. Zou ik hem straks ook missen, als hij weg was? Hij was ons in al die jaren eigenlijk nooit tot last geweest, en hij had me bij wijze van spreken net nog de hand gekust, want zo kun je het ook zien.

Ik sloot mijn vrouw in de armen en zuchtte: ‘Als het niks lijkt, neem je hem maar weer mee terug, hoor.’
‘Je bent toch wel lief,’ antwoordde ze.

Bekijk ook...

Joan Didion, schrijfster en journalist

Het hart houdt niet stand

Ze zei: ‘Ik ga even mijn woonprogramma kijken.’ Wat ze bedoelde te zeggen was: Kan die radio even uit. En radio is weer geheimtaal voor hinderlijke muziek, ook al was die afkomstig van mijn PC. Maar mijn afspeellijst had net Billie Holiday geselecteerd en een overleden artiest zet je niet af, dus liep ik naar mijn werkkamer en trok de deur achter me dicht.

Afscheid van een kamerplant

Toen ik mijn vrouw bij thuiskomst met overgave zoende, voelde ze anders aan. ‘Is er iets?’, vroeg ik. ‘Hij is weg,’ zei ze met een ondertoon van spijt en berusting. ‘Dat is waar ook! Je hebt meneer Theo naar het tehuis gebracht … of is het een pleeggezin?’ ‘Nee, nee, hij staat in een tuinkas, tussen de andere cactussen. Ach, je had hem moeten zien. Hij stond daar zo stoer …

De fiets van oom Anton

‘Oom Anton heeft een fiets gekocht,’ zei mijn neef Koen. Afgezien van het feit dat het bestaan van een oom Anton mij tot op dat moment was ontgaan, trof mij vooral zijn guitige lach die een sterk verhaal deed vermoeden.