Bakkie aanspraak

Aan de koffietafel bij Albert Heijn zat een vrouw op zichzelf. 
De stoel aan de overkant werd gegrepen door een schuifelende man. 
- Vinnu ’t erg as ik erbij kom?, vroeg hij hees. 
- Neu. Tis openbaar. 
- De dochter hep ’t lijsie. Dat redt zich wel. 
- Da’s zuiver mooi, stelde de vrouw. 
Ze zocht in de tas naar haar lijstje, maar die was leeg. 
De man schraapte zijn keel en slikte het weg. 
- ’t Zijn de bene, weet u. Die geven ’t op. Maar nu wil ze me ’n looprek an. En ik zeg, dat doe ‘k nie. Of m’n pasje wil ze, voor de pin. Ik bedoel, geeft u ‘m af? 
- Neu. Tis privé. 
- Dat heb ook zegt! Tis een lief meissie, echt, maar dat heerschap van d‘r … 
Hij wees naar zijn elleboog en knikte veelbetekenend. 
- Van het net heeft ze hem. Als ’t niet pas, mag ‘ie terug, zegt ze. Is dat normaal? 
- Neu, dat it modern. 
- Dat is’t, en niet anders! 
Hij nam tevreden een slok en keek toen somber in zijn bekertje. 
- ’t Is toch anders als met een filterapparaat, vinnu niet? 
- Ja, … of als er niemand komt meteen op het koppie, beaamde de vrouw. 
- Dat ken. Sinds dat mijn vrouw …. Hij bleef bleef hangen in een gedachte, en keek toen opnieuw naar de vrouw. 
- Ach, sprak hij luchtig. Is u ook allenig? Hoe lang nou alweer? 
- Niet anders geweest, sprak de vrouw resoluut. 
Ze keek weg of de bus moest komen. 
De man zocht houvast bij het bekertje. Toen stond hij op. Hij liet er een bodempje in staan. 
- ‘k Ga ’s kijken … 
- Neu, zei de vrouw voor zich heen. Alles went mettertijd. 
- O … 
- Behalf ouwer worden, zuchtte ze, want dat went nooit. 
Ze keek de man na, tot hij voorgoed achter een stelling verdween. In haar jaszak vond ze een briefje met de tekst: 300 gehakt, blik capu, moes. Ze had het zelf geschreven. Gelukkig wel, dacht ze tevreden.

Bekijk ook...

Pier Nijholt (1922-2008)

Afscheid (2008)

Pas jaren later besefte ik, wat mijn vader me liet zien. Wachtend op de dood, nam hij afscheid van zijn leven met verhalen over de onbelaste jaren van zijn jeugd. Dat was de tijd dat hij met zijn vrienden ging voetballen en daarna naar het café. Alle dorpsfeesten liep ze af, op zoek naar vertier en ongein. Vrij en zonder zorgen. ‘Toen waren wij er nog niet,’ concludeerde mijn broer, maar ik dacht terug aan de kermis van ‘63.

Carson op weg naar huis.

Filmpauze

De Filmvertoning van Downton Abbey op zondagmiddag had ook een troep plattelandsvrouwen losgeweekt uit hun aangeharkte bestaan. Het dimmen van de zaalverlichting leverde al spannende kreetjes op en de lichtbeelden werden van halfluid authentiek Fries commentaar voorzien. ‘Jezus’, zuchtte ik. Mijn vrouw, die mij had meegelokt met een ‘leuk’ en ‘gezellig’ argument, draaide zich kordaat om en zei er iets van.

Herman en Sido (rond 1994)

De letter E (1994)

Toen ik de mastiekribben op het dak van het schuurtje vernagelde, hoorde ik mijn jongste zoon heit! roepen. Hij was zes en had net leren lezen. Of ik de letter E meer Nederlands vond of meer Fries, wil hij weten. Ik rechtte mijn rug en dacht even na. Fries, zei ik op gevoel. Hij knikte en droop weer af.