Café á la Mocque

Toen ik stipt op de piepjes van tien uur arriveerde bij zijn buitenverblijf, was mijn vriend Kees in rep en roer. Wij konden niet handen schudden, omdat zijn vriendin een patiënt met schurft behandelde. Bovendien was het koffiezetapparaat, dat altijd op de hoek van het aanrecht had gestaan, verdwenen. Zonder sporen van braak en tegen alle verklaringen van betrouwbare getuigen in, had hij het niet aangetroffen op de plaats, waar het altijd stond. Het bevond zich ook niet op een andere plek in het huisje, het bewuste stopcontact werd niet door een ander apparaat in beslag genomen. Het was een mysterie.
Hij moest de rituele koffie daarom rooien met een filter direct op de mok.
‘Het valt best mee,’ zei ik, toen we handsfree maar voorzien van koffie tegenover elkaar zaten. Mijn vriend thermometerde zijn brouwsel met een gespannen blik.
‘Ik vind het wel wat sterk,’ vond hij.
‘Welnee,’ zei ik monter, ‘vertel eens: hoe is de toestand?’

De algehele toestand gaf weinig reden tot klagen, maar zijn actuele gemoedstoestand had duidelijk te lijden onder het gemankeerde ontmoetingsritueel. Ik stelde daarom voor om ons te vertreden, want dat geeft soms lucht.
En warempel, we waren nog maar net onderweg of hij zei: ‘Ik ruik koffie.’
Hij keek op zijn telefoon hoe de wind stond. Ik rook geen koffie en voelde geen wind, maar tegenspraak stond een goed verhaal in de weg, dus begaven wij ons richting het huisje van een kluizenaar, die door de andere bosbewoners Jan werd genoemd. Niemand kende zijn echte naam. Jan was met paaltjes en een staaldraad in de weer en keek verstoord op. Kees vroeg zonder omhaal, of hij iets wist van het verdwenen koffiezetapparaat.
‘Kwijt’, zei de man hardop, alsof niets hem verbaasde. Hij liep naar binnen en kwam terug met een doos van Philips met daarop de afbeelding van een koffiezetapparaat, een zwarte nog wel.
‘Neem deze maar,’ zei hij praktisch, ‘ik doe er toch niets mee.’
Omdat mijn vriend niet onmiddellijk handelde, nam ik de doos maar aan.
‘Drinkt je geen koffie?’, vroeg Kees achterdochtig.
‘Ik heb een mok, een filter en een waterkoker,’ zei hij. ‘En nu moet ik weer aan het werk.’

Toen Kees terug in het huisje de doos had uitgepakt, het apparaat uit het plastic had gehaald en had vastgesteld, dat het werkte, slaakte hij een diepe zucht.
‘En toch begrijp ik het niet. En wat moet Jan nu …?’
‘Je moet niet alles willen begrijpen,’ zei ik. ‘Kom, we gaan weer.’

Bekijk ook...

De kleur van Liefde

‘Kan ik u helpen?’, vroeg het bloemenvrouwtje. ‘Misschien,’ zei ik, ‘waar staan de gele boeketten?’ ‘Geel! Dat is grappig,’ riep ze olijk. ‘Niemand vraagt om geel.’

Pier Nijholt (1922-2008)

Afscheid (2008)

Pas jaren later besefte ik, wat mijn vader me liet zien. Wachtend op de dood, nam hij afscheid van zijn leven met verhalen over de onbelaste jaren van zijn jeugd. Dat was de tijd dat hij met zijn vrienden ging voetballen en daarna naar het café. Alle dorpsfeesten liep ze af, op zoek naar vertier en ongein. Vrij en zonder zorgen. ‘Toen waren wij er nog niet,’ concludeerde mijn broer, maar ik dacht terug aan de kermis van ‘63.

Twee vrienden bij Sonsbeek Arnhem

Kroniek van een vriendschap # 5

Wat zullen we doen? Zo was mijn vriendschap met KOOS van der SLOOT. In de auto, op de fiets, in de benen. Als ik terugdenk, zal ik dat het meest missen. Een belangrijk verschil tussen Koos en mij is dat hij onveranderlijk altijd en overal hetzelfde is, een man uit één stuk. Ik ben altijd niet iemand anders, ik pas mij aan, ik ben een man van vijftien jassen.