De binnenkant van mijn schedel

Schoolreisje

‘We gaan op schoolreisje,’ zei ik, toen mijn vrouw vertelde dat de olijke tweeling kwamen logeren.
‘Waar wil je naartoe?’
‘Het wordt warm,’ zei ik. ‘We gaan naar Schier.’
Aldus werd besloten.
De essentie van een schoolreisje is, dat alles een feestje is. Dat is niet een feit. Dat is een instelling. Dat is de bedoeling.

‘Wakker worden!’, riep ik de volgende ochtend om kwart voor acht. Toen ik beneden broodjes stond te smeren, terwijl ik Op het Goudgele strand van Ameland zong, waarvan ik alleen die zes woorden ken, hoorde ik boven een wc doortrekken. Op tijd, dacht ik vastberaden, we moeten en zullen ruim op tijd zijn, want het wordt vast druk, zo’n laatste zaterdag van de schoolvakanties. Zonder te drammen, louter om de anderen te ontzorgen, wilde ik op tijd zijn. Ik heb me ooit verslapen en ben toen in 50 minuten van Joure naar Lauwersoog gereden, inclusief parkeren en kaartje kopen. Dat wil ik nooit weer meemaken.
‘Goeiemorgen - goeiemorgen,’ zeiden de jongelui simultaan.
‘Aha! Daar zijn jullie al! Lekker geslapen?!’
Ondertussen belegde ik vier witte bolletjes met gisteren gebakken ei, dat vannacht in de koelkast had gelegen – een absolute must voor schoolreisjes – en …
‘Ik lust geen ei.’
‘Geweldig!’, lachte ik, ‘mag ik die van jou hebben?’
Ik dirigeerde ze naar hun plek aan de gedekte tafel en vroeg of ze melk, chocomel of jus wilden.
‘Wij drinken altijd thee,’ zei het meisje.
‘Ik zet het wel even,’ zei de jongen.

Toen mijn vrouw beneden kwam met een stapel handdoeken, een ternauwernood aangeschafte beachballset, zwemkleding en nog veel meer, zei ik:
‘Ze zetten zelf thee!’
‘Natuurlijk,’ zei oma trots, en toen: ‘Zeg, waar zullen we dit in doen.’
‘Rugzakjes?’
Aan alles was gedacht, behalve aan het vervoer, dus stelde mijn vrouw voor dat we (let op het meervoud) dan maar een sporttas mee moesten nemen. Ik begreep wat ze zei, maar stemde niettemin toe, want zelfs een zware tas is een feestje. Althans, dat is de bedoeling …

Lekkage

‘Doe mij maar een krentenbol met kaas,’ zei ik monter, toen we de straat uit reden. We waren slechts tien minuten te laat van huis vertrokken – die had ik ingecalculeerd – en de kinderen op de achterbank hadden plezier, heel veel plezier, al verstond ik niet precies waarover. Het meisje giechelde iets onverstaanbaars, en de jongen schaterde dat dat niet waar was! Het was zonnig en nog niet heet …
‘Waarom heb je een lange broek aan?’, vroeg ik aan mijn vrouw.
‘De korte broek zit in de tas,’ zei ze ter geruststelling.
Als we eerst maar op de boot zitten, dacht ik. We zijn mooi op tijd, vond mijn vrouw. Maar toen liepen we zomaar in de ongereptheid van de Lauwersmeer vast in een onbeweeglijke file. Ik keek op het klokje. Over 26 minuten vertrok de boot.
Iemand passeerde van achteren over links, maar de voorbuurman zette zijn Nissan er dwars voor. Hij stapte uit en schreeuwde tegen de bestuurder met ondubbelzinnig gesticuleren. Na 3 minuten konden we twee lengtes doorrijden, zodat de voorbuurman weer kon invoegen en de doerak alsnog kon passeren.
‘Straks missen we nog de boot,’ zei mijn vrouw hardop. Dat drukte de feestvreugde op de achterbank niet. Ik verklaarde dat ik niet van plan was twee uur te wachten op de volgende, waarna ik de mogelijkheden voor een plan B ter sprake bracht. Tergend langzaam kropen we verder, tot bij een rotonde een verkeersregelaar in beeld kwam.
‘Alles is vol,’ zei mijn vrouw.
‘Er zijn nog wel plaatsen,’ zei ik, ‘kijk maar, daar …’
‘Dat kun je hier vandaan niet zien,’ vond mijn vrouw. Hoewel ze gelijk had, moest ik toch een diskwalificatie wegslikken.

Tijd

‘Rennen!’, riep ik, toen we vier minuten voor vertrek de portieren dichtgooiden. De kinderen namen dit letterlijk, mijn vrouw met de tickets negeerde de oproep en ik sjokte met die vervloekt sporttas, die al voor de overweg in mijn schouder sneed, als een vleesgeworden compromis tussen hoop en vrees.
‘Hij vertrekt echt niet zonder ons,’ zei mijn vrouw, toen ze zich eindelijk bij ons voegde. Ik moest bekennen dat ze gelijk had, want we mochten nog door het poortje.
‘Wat zit er allemaal in die tas?’, hijgde ik, toen we aan boord een skai leren zitje hadden gevonden.
‘Wie heeft er zin in een appel?’, riep mijn vrouw olijk. Zelf haalde ze de krant tevoorschijn en gaf mij mijn boek, plus twee boeken voor de kinderen. Dat was een soort antwoord. Met een heel ander soort irritatie zag ik op het beeldscherm de minuten weg tikken, totdat we ruim een kwartier te laat vertrokken. Ik hoopte hartgrondig dat ze niet zou zeggen: Zie je nu wel.
Mijn bede werd verhoord.
‘Willen jullie niet even boven kijken?’, vroeg ik. Ze waren al snel weer terug, omdat het waaide en er niet veel te zien was. Alleen water.
‘Maar je weet toch, waar we naar toe gaan?’
‘Ja, naar het strand,’ zei de jongen.
‘Dat is leuk,’ zei het meisje.

Mijn vrouw wilde op het eiland in de rij gaan staan om fietsen te huren, maar ik zag dat niet zitten met die rottas (ik beken, dat floepte er per ongeluk uit), dus werd het na enig gedimdam de bus naar het strand. De adrenaline was weer gedaald tot polderpeil. Wat een autobus al niet vermag. Ik verlangde zelfs naar zand tussen mijn tenen en hing de kinderen aan de vasthoudrail, zodat ze gierend door de bocht zwaaiden:
‘Dit is leuk!’
‘Nog eens!’
Toen we eindelijk over zee uitkeken, begon de cafeïnespiegel van mijn vrouw haar parten te spelen. Bij de strandtent hadden ze – ik begon nu echt tot rust te komen – echte koffie: met butagas verhit water op een filter gegoten! Toen mijn vrouw vervolgens terug naar ‘het laatste toilet voor Noorwegen’ liep, zocht ik met de kinderen een plekje in het zand. Ik gaf ze de batjes en het balletje, waarmee ze zich verwijderden, spreidde een handdoek uit, en besloot de binnenkant van mijn schedel maar eens te inspecteren. Het zand nestelde zich in mijn rug, de zon omarmde me en de zee nam al mijn gedachten mee.

Na een korte eeuwigheid hoorde ik haar voetstappen.
‘Heerlijk,’ zuchtte ze tevreden.
‘Oma, oma!’, riepen de kinderen, ‘wij hadden negen keer!’
Mijn vrouw speelde bewondering, zoals een oma betaamd, en liep met hen mee, om dat record te verbeteren. Goed, dacht ik als antwoord op geen enkele vraag, straks misschien …

Bekijk ook...

Annemarie Nauta. In het boek stond een andere foto uit dezelfde serie: Bois de Boulogne, Parijs.

Foto van Olga

‘Ik moet je iets laten zien,’ zei ik, toen mijn vrouw thuiskwam. Maar helaas, er was iets fout gegaan bij het opnemen van de uitzending. Ook bij een haastige speuractie op het wereldwijde net vond ik niet de foto van Annemarie Nauta, die in mijn ziel stond gebrand.

Wylde Hoarne, Joure. Eieren op de dakrand.

Kroniek van een vriendschap # 3

Ik heb mijn vriend Koos van der Sloot in loop der jaren goed leren kennen, maar ik durf niet te beweren dat ik hem ooit helemaal heb begrepen. Neem nu eens die gulzigheid voor kunst en literatuur. Waar komt die vandaan? Wij zijn beide opgegroeid in een arbeidersgezin. Cultuur beperkte zich tot sketches op bruiloften.

... de jas van Koos

Mijn Oecumenische schoenen

Louter wanneer er sprake is van gerichte aanschaf, ga ik nog wel eens langs de winkels. Mijn vrouw moest een cadeau voor een jarige vriendin hebben. Zo passeerden wij op de Dracht in Heerenveen gearmd de etalage van een schoenenzaak, die UITVERKOOP schreeuwde. ‘Moest jij geen nieuwe schoenen hebben?’, vroeg ze.