De fiets van oom Anton

‘Oom Anton heeft een fiets gekocht,’ zei mijn neef Koen.
Afgezien van het feit dat het bestaan van een oom Anton mij tot op dat moment was ontgaan, trof mij vooral zijn guitige lach die een sterk verhaal deed vermoeden.
‘Had hij geen fiets dan?’, vroeg ik, maar op dat moment werd het buffet geopend, en kwam iedereen in beweging, waardoor hij wegdreef naar een andere tak van de familie. Iemand duwde in mijn rug en zei, dat ik moest doorlopen. Een zusje, dat net binnen was gekomen, legde twee koude handen op mijn wangen en zoende mij.
‘Heerlijk,’ zei ik. ‘Ben je alleen?’
‘Alleen?’, riep ze en keek demonstratief om zich heen.
‘Je bent net op tijd voor het eten,’ zei ik.
‘Eerst mijn jas …’ en ze was alweer gevlogen.

Ik schuifelde door en zag dat er twee soorten soep waren. Met een kom tomatensoep ontsnapte ik aan het gedrang en nam in de voorkamer plaats naast mijn moeder. Die verklaarde, dat ze het lekker vond, als blijk van waardering voor een paar uur vertier buiten haar eigen muren. Ik beaamde dat, omdat ik het haar gunde. Toen ze haar soep op had, en na enig rondkijken haar lege kom schalks in een open vitrine met snuisterijen zette met de tekst: ‘Benieuwd, wanneer ze die vinden,’ werd ik bevangen door een vertedering, die doorgaans alleen door peuters wordt opgeroepen. De zachte levenscyclus. Ik legde een warme hand op haar knie en vroeg of ik nog iets moest halen, maar dat was niet nodig. Ze schakelde onmiddellijk over op een update van de namen uit haar eigen kring, die onomkeerbaar met uitsterven werd bedreigd. Ik raakte al snel de draad kwijt en zei op goed geluk ‘o’ en ‘zo’. Op de achtergrond vroeg ik mij weer af, wat het verhaal achter die fiets van oom Anton was.
Opeens kwam mijn neef Koen met zijn nieuwe vriendin afscheid nemen van zijn Beppe. Hij had zijn regenjas al aan en zijn muts op.
‘Och, moet je nu alweer weg?’, klaagde mijn moeder, deels gespeeld.
‘We hebben nog een feest in Groningen,’ zei hij en knikte naar het meisje, waarvan ik de naam tot mijn schande alweer was vergeten, terwijl ze zich een half uur eerder nog had voorgesteld. Iets gewoons, zoals Marietje, maar dan anders. Ze straalde als een ochtendbries, fris en tijdelijk.

Later op de avond sprak ik mijn broer, die het duidelijk naar zijn zin had, en zei:
‘Zeg, Koen had het over oom Anton en een fiets …’
Hij haalde zijn schouders op. ‘Hij studeert theoretische filosofie,’ zei hij, alsof de verklaring daarin moest worden gevonden.
‘En zijn vriendin?’
‘Fysiotherapie.’
‘Handig,’ zei ik. ‘Kan zij op hem oefenen … en hij op haar?’
‘O nee, zij heeft niks met zijn moeilijke praatjes,’ zei mijn broer met een knipoog en vroeg of ik nog een biertje wilde. Ik hield een leeg wijnglas omhoog. Ergens daagde een vermoeden, waar ik de fiets van oom Anton moest zoeken.

Bekijk ook...

Pier Nijholt (1922-2008)

In Paradisum

Niemand ging mooier dood dan mijn vader. In de zomer van 2007 werd in het ziekenhuis slokdarmkanker vastgesteld en kreeg hij slechts enkele maanden mee naar huis. Hij zuchtte tweemaal diep en was er klaar voor.

Pier Nijholt (1922-2008)

Afscheid (2008)

Pas jaren later besefte ik, wat mijn vader me liet zien. Wachtend op de dood, nam hij afscheid van zijn leven met verhalen over de onbelaste jaren van zijn jeugd. Dat was de tijd dat hij met zijn vrienden ging voetballen en daarna naar het café. Alle dorpsfeesten liep ze af, op zoek naar vertier en ongein. Vrij en zonder zorgen. ‘Toen waren wij er nog niet,’ concludeerde mijn broer, maar ik dacht terug aan de kermis van ‘63.

De verrassing

Toen ik bij de printer stond te wachten, voelde mijn hand een briefje in mijn broekzak. Ik vouwde het open en las de naam van mijn vrouw. Toen herinnerde ik me, dat ze me dat papiertje gisteren bij thuiskomst had gegeven met de woorden: ‘Niet kijken, ik wil niet weten wie jij hebt. Dan is het geen verrassing.’