De grote wereld van kleine kinderen

WC raampje

In deze winter, die maar niet wilde winteren, kwam een dag dat het tijd werd voor een nieuw project. Liefst iets wat ik niet eerder had gedaan, want ik moet nog even mee. Daarom keek ik mijn aantekeningen voor een kinderboek weer eens door. Want wat kon mij gebeuren? Ik kon hooguit falen. Drie jaar geleden was het plan bij me opgekomen, het plan en het idee. Mijn kleindochter houdt van Frozen, dus moest het over een prinsesje gaan, een prinsesje dat niet kan vliegen. Maar ik werkte toen nog en als bouwkundig ingenieur lukte het me niet meer de kleine wereld van mijn prinsesje binnen te kruipen. Ik moest denken aan mijn geboortehuis. Als ze zich vroeger hadden buitengesloten, hees mijn vader mij door het wc-raampje naar binnen, om de deur open te doen. Dat lukt nu ook niet meer. Mijn vader is dood, ik ben te groot en mijn lenigheid is ook niet meer, wat het was. Zo’n metafoor is beeldend, maar ook verraderlijk. Want eerlijk gezegd zag ik er 3 jaar geleden vooral tegenop om na 40 jaar weer te gaan tekenen. Mijn vormgevoel had natuurlijk ook zijn lenigheid verloren, vreesde ik, en kraakbeen komt nooit meer terug.

Maar sinds ik met pensioen ben is er veel veranderd. Ik koester nu de twijfel, die me vooruit helpt, en ik ben ook niet meer zo bang om bang te zijn. En warempel. Na een paar mislukte pogingen vond ik de ingang van de sprookjeswereld van mijn kleindochter. Die wereld is niet klein, maar juist veel groter dan mijn alledaagse realiteit.

Het maken van een kinderboek

Ik weet bijna niets van kinderboeken, maar ik heb mijn kinderen destijds wel voorgelezen en herinner me, dat ze altijd dezelfde boekjes weer wilden horen. Het moest dus niet zo’n flauw themaboekje worden over een herkenbaar alledaags onderwerp, maar een pakkend verhaal dat na 25 keer nog steeds tot de verbeelding spreekt en liefst net iets voorbij hun bevattingsvermogen reikt, want daar begint de magie.
Toen het berijmd en al op papier stond, krabbelde ik er indicatief wat plaatjes bij en liet het lezen aan mijn favoriete oma, toevallig ook mijn vrouw. Met de nodige kanttekeningen was ze best positief en ze vond ook, dat ik die tekeningen zelf moest maken. ‘Jij kunt dat,’ zei ze lukraak, al had ze nog nooit een tekening van mij gezien.

Het belangrijkste, dat ik door de jaren heb geleerd, is dat alles begint met een gedegen voorbereiding. Daarom vervoegde ik mij bij Planting in Sneek, waar ik de benodigdheden aanschafte, te weten: een blok A3 tekenpapier, pennen in 3 dikten, 42 kleurstiften, vlakgom en een puntjeslijper. Een HB potlood had ik nog wel ergens liggen. Ik had 20 pagina’s met 8 tekstregels, dus dat werden met een voor- en achterkant 22 tekeningen met steeds datzelfde prinsesje erop. Op basis van Catootje van Jan Kruis legde ik een maatsysteem vast. Daarmee ging ik aan de slag. Gaandeweg kreeg ik er steeds meer lol in, want als je zelf de tekeningen maakt, kun je er van alles bij verzinnen en hoef je niemand om toestemming te vragen. Op de eerste tekening was bijvoorbeeld een kip verschenen, die ook best zou willen vliegen, dus besloot ik haar mee te nemen, ook al komt ze in de tekst niet voor. De Grote Tok noem ik heb, geheel voor eigen rekening. Her en der verstopte ik geheime boodschappen, die niemand eruit haalt, maar ook niemand in de weg zitten.
Stel dat de kleine meid mij over 25 jaar in het verpleeghuis opbelt en zegt: ‘Hé Pake, ik bekeek net dat boekje weer eens en toen zag ik opeens …’ Daar kan ik nu zomaar 25 jaar lang voorpret van hebben. En voorpret is erg belangrijk, van levensbelang!

Prinsesje kan niet vliegen

Toen mijn vrouw tevreden was, mailde ik een pdf naar de drukker en een week later werd er al een doos met levensechte boekjes afgeleverd. Het eerste exemplaar voorzag ik van een opdracht in blokletters en presenteerde ik tijdens de eerstvolgende logeerpartij aan de kleine meid. Naast elkaar op de bank begonnen we samen te lezen – ze zit al in groep 3 – maar na één bladzijde zei ze: ‘Jij moet lezen.’ Zo las ik halfluid de woorden voor, die ik in een lichtzinnige bui voor haar had bedacht. Ze luisterde aandachtig en moest af en toe lachen om de plaatjes. Toen het uit was, zei ze: ‘Leuk!’ en ging, geknield bij de salontafel, weer door met haar kleurplaat. Ik voelde me heel erg klein en legde het boekje bij haar spulletjes. Toen liep ik naar de keuken om driekleurenpasta met groene en rode stukjes te maken.

‘Wat vond ze ervan?’, vroeg mijn vrouw even later.
‘Ze zei: Leuk!’ Op die manier.’
‘Je vond het wel spannend, volgens mij.’
‘Een beetje wel,’ bekende ik. ‘Recensenten zijn net als kleine kinderen: onbarmhartig eerlijk.’
‘Ik had toch gezegd, dat ze het leuk zou vinden,’ zei ze en ging weer naar de kamer.
Oma’s hebben maar makkelijk praten, vond ik, ook al hebben ze meestal wel gelijk.

Bekijk ook...

De onvolmaakte hand van God

De onvolmaakte Hand van God

Na de koffie en de update van ons wederzijdse welzijn, vroeg ik kunstenares Hilda Kanselaar of ze nog nieuwe projecten onder handen had. Jazeker, ze had voor een expositie het thema van haar afstudeerproject weer eens opgepakt: De onvolmaakte hand van God.

1955

Snijpunt Heegermeer, 1997

Toen ik in 1955 aan haar baarmoeder ontglipte, zei dokter de Boer tegen mijn moeder dat alles goed leek, maar een paar jaar later vonden ze op het kleuterbureau toch dat ik X-benen had. Niemand had daar ooit iets van gemerkt.

Ik was nog een snotneus.

Stiekem, bij de jassen

‘Ik kom voor de receptie,’ zei ik tegen een zwart bejurkte dame in de hal. ‘Trap op, linksaf, dan ziet u het vanzelf,’ zong ze routineus. Nog voor ik een kop koffie met oranjekoek in de handen kreeg gedrukt, zag ik Annie staan. Ik had toevallig gehoord dat ze er waarschijnlijk ook zou zijn, anders had ik mijn vroegere buurmeisje beslist niet herkend. Pas na de mooie woorden voor de pensionado liep ik haar toevallig tegen het lijf.