De laatste test

De symptomen

september 2020
‘Oké!’, zei ik tegen collega Gerard, na de zoveelste rochelende hoestbui, ‘ik ga wel naar huis en laat me testen.’ Ik was natuurlijk alleen maar verkouden. Dat had ik steeds gezegd. Ook om mezelf te overtuigen.

Twee dagen later, toen ik in alle vroegte mijn navigatie had ingesteld en kalm op reis ging, was het nog pikdonker. Buiten de bebouwde kom, met alleen de witte strepen van de A6 en in de verte hier en daar een lichtje, luisterde ik aandachtig naar de zware ademhaling, die volgde op iedere hoestbui. Cruise control op 105, één hand in het stuur. Mijn wereld was roerloos. Alea iacta est, sprak Julius Ceasar, voor hij de Rubicon overstak. Over een kleine vier uur wachtte een engel Gods met een wattenstaafje, waar mijn naam op stond. Maar het vonnis stond al geschreven in het lot, wars van stelligheid of angst.
Ik stak de zwarte spiegel van het Tjeukermeer over en dacht ik aan mijn eigen dood. Nee, aan de dood kun je niet denken, aan mijn uitvaart, zoals ik me die al van kindsaf aan had voorgesteld. In de Kerk van mijn jeugd, met kaarslicht, wierrook en wijwater, en eindeloos galmende gezangen. Im Paradisum …
Zou mijn vriend Kees spreken? Hoeveel mochten er tegenwoordig bij? Voorbij Lemmer doemden er aan weerszijden zwarte bomen op. Ik dacht aan de IC’s, op leven en dood. Werden die lijken niet meteen ingeseald en opgestookt? Maar nee, zo erg was het ook niet. Al kwam een echte priester tegenwoordig vast niet meer voor een afvallige opdraven, en zouden ze het Latijn van een USB-stick moeten halen. ‘Groot gelijk, Herman’, had Gerard gezegd, ‘jij zit in de risicogroep.’ Hij had gelachen. Hij was nog jong.

De locatie

‘Moet jij helemaal naar Zeeland?’, had Gerard een paar uur later gevraagd, toen ik hem belde.
‘Zuidland ligt nog in Zuid-Holland,’ had ik gezegd.
‘Nou net dan. Ik heb daar een oom wonen. Die hebben we al in geen twintig jaar gezien.’

Aanvankelijk gooide de GGD me steeds van de lijn wegens drukte. Probeert u het later nog eens, zei een bandje. En toen ik eindelijk beet had, moest ik 20 minuten wachten. Vervolgens bleek Friesland tot zaterdag vol te zitten. Probeert u het later nog maar eens, had ze gezegd. Kon ik niet op een lijst, dan? Nee, die was er niet. En Groningen dan? Drente? …. Alleen in Zuidland, daar konden ze me nog inplannen. Geen probleem, had ik gezegd. Gerard vond dat ik gek was. Nou, dan maar gek.

2 uur 40, zei de ANWB routeplanner. Mijn eigen navigatiesysteem gaf 2.20 aan,maar dat rekende nog met 130 km/u. Ik moest er 9.51 zijn – dat heb ik minstens 3x gecontroleerd – en ik mocht beslist niet te laat komen, had mevrouw GGD gezegd.
‘Ik zou maar een half uurtje extra nemen …’ had mijn vrouw gezegd. De ochtendspits in de Randstad was haar broekzak. Dus besloot ik een uur marge te nemen. 6 uur weg. Ik had geen zin om bij iedere opstopping de zenuwen te krijgen. Maar toen bij Lelystad in het oosten de dag begon te gloren en mijn levensverwachtin weer hanteerbaar was, werd ik toch onrustig. Want wat is nu een uur? Een beetje drukte is niet erg, maar je hoort dagelijks van gekantelde vrachtwagens met kippen of biggen en dan sta je serieus stil! En als je stil staat, is een uur niks.

Ook al kon ik er niets aan doen, het zou natuurlijk een blammage zijn, als ik te laat kwam. Ik overwoog in dat geval te liegen dat ik negatief was getest. Niemand kwam er achter. Tenminste als ik gelijk had, dat het maar een verkoudheid was.

Bij Hilversum werd serieus druk, ik moest de cruise control loslaten, maar toch draaide ik even later zonder vertraging de A12 op. Klik, de 105 weer vast! Hatseflats!

Dorp aan de rivier

Ondertussen beloofde het een mooie dag te worden. Het was nog minder dan een uur. Ik zou ruim op tijd zijn voor mijn test. Misschien kon ik voordringen … Nee, dat was het vragen om onheil. De engelen moesten zien dat ik serieus was, dat ik nog vol in het leven stond en een eerlijk bestaan leidde.
‘Tussen Gouda en Rotterdam schijnt het nog steeds erg druk te zijn,’ had mijn vrouw voorspeld, maar ook dat leek mee te vallen. Het was druk, maar we reden. En toen doemde linksonder op mijn navigatiescherm die gevreesde zaagtandlijn op! Ik zoomde uit. Tot de Beneluxtunnel stond het vast! Holy shit!

1978: Dylan in de Kuip! Juist op die dag staakte het openbaar vervoer en stond ook alles vast. En de chauffeur van onze touringcar kroop tweemaal verkeerd voor de Beneluxtunnel. In blinde paniek waren we uitgestapt, op zoek naar een taxi in een stad met een verkeersinfarct!

Een bord: Breda A16. Op goed geluk drukte ik mijn auto tussen het uitvoegende verkeer en hield mijn adem in tot mijn navigatie de route had herberekend: maar 3 minuten verloren! Ik zat dus goed! In de verte doemde al de Van Brienenoordbrug op! Het we-zijn-er-bijna Monument voor talloze concerten in Ahoy. Lang geleden. Langzaam zakte de spanning uit mijn lijf.

Pas bij de afslag naar Zuidland stond ik voor het eerst stil. Voor een rood stoplicht. De eerste borden met een T van Testlocatie had ik inmiddels al gezien en ik was nog steeds een uur te vroeg. Al kreeg ik een klapband, dan haalde ik het lopend nog wel. Ik reed door tot bij een rivierdijk. Daar zette ik hem aan de kant en ging even poolshoogte nemen. Geen scheepvaart, soms een vrachtwagen en af en toe een wandelaar met hond. Zonder hond kon je hier kennelijk de deur niet uit. Gevaar is onzichtbaar, net als een virus.
Terug in de auto stuurde ik een lang WhatsApp-bericht aan mijn vriend Kees, dat begon met: ‘Voor zonsopgang moest ik al aan je denken. Ik verbeeldde me, dat je sprak op mijn begrafenis …’

Het eind van het lied

Ik schrok me lam! Een vrouw met herdershond tikte op mijn raampje. Ik draaide het naar beneden.
‘Sorry hoor, maar kan ik u helpen?’
‘Nee, dank u, ik wacht.’
‘Dat kunt u dan beter ergens anders doen,’ zei ze, terwijl ze de hond uit alle macht in bedwang probeerde te houden, ‘die vrachtwagens, ziet u. Vorige maand is hier nog iemand doodgereden.’
Ik keek op mijn klokje en zag dat het tijd werd. Ik keerde op de dijk en stak een hand op. De vrouw hield twee handen aan de riem. De hellehond blafte en trok wild.

De test stelde niks voor, maar op de terugweg bij Spijkenisse zei Radio1 al, dat er in heel Nederland geen test meer te krijgen was. Alles zat vol. Had ik even mazzel.

Oja, en twee dagen later bleek dat ik negatief was. Zei ik toch!

Bekijk ook...

Tess en pake Herman

Tot meer tellen!

Met de kleine meid op schoot, terwijl zij een boterham oppeuzelde, nam ik een populairwetenschappelijk magazine door, waarin de werking van het heelal werd uitgelegd. ‘Kijk zo,’ zei ik. ‘Jij bent ons zonnetje …’ en terwijl ik stukje brood in een baan om haar hoofd bracht: ‘… en dit is een planeet.’

Wylde Hoarne, Joure. Eieren op de dakrand.

Kroniek van een vriendschap # 3

Ik heb mijn vriend Koos van der Sloot in loop der jaren goed leren kennen, maar ik durf niet te beweren dat ik hem ooit helemaal heb begrepen. Neem nu eens die gulzigheid voor kunst en literatuur. Waar komt die vandaan? Wij zijn beide opgegroeid in een arbeidersgezin. Cultuur beperkte zich tot sketches op bruiloften.

Pier Nijholt (1922-2008)

Afscheid (2008)

Pas jaren later besefte ik, wat mijn vader me liet zien. Wachtend op de dood, nam hij afscheid van zijn leven met verhalen over de onbelaste jaren van zijn jeugd. Dat was de tijd dat hij met zijn vrienden ging voetballen en daarna naar het café. Alle dorpsfeesten liepen ze af, op zoek naar vertier en ongein. Vrij en zonder zorgen. ‘Toen waren wij er nog niet,’ concludeerde mijn broer, maar ik dacht terug aan de kermis van ‘63.