De Neanderthaler in mij

De mythe

Mijn vriend de Psycholoog arriveerde ondanks het gure weer zelfs twee minuten eerder dan aangekondigd. Ik hou daarvan. Tijdens de koffie – hij kreeg de Paddington koffiemok – bespraken wij zoals gebruikelijk eerst het leven, dat er aan weerszijden van de tafel onveranderlijk goed voor stond. Daarna vroeg ik hem, wat hem momenteel zoal bezighield.
‘Ik ben tot de conclusie gekomen,’ sprak hij plechtig, ‘maar ik ben er niet zeker van, dat voor de liefde een mythe onontbeerlijk is. Wat denk jij daar nu van, Herman?’
Buiten brak een waterig zonnetje door.
‘Gaat het om je liefde voor kunst en muziek? Of om liefde in het algemeen?’
‘In de meest brede zin,’ sprak hij, ‘te beginnen met onze vriendschap.’
‘Ik begrijp wat je bedoelt. Ik noem jou bijvoorbeeld Mijn vriend de Psycholoog’ zei ik, terwijl ik de veronderstelling proefde, ‘als ik jouw ‘mythe’ mag interpreteren als een ‘verhaal’, dan zijn wij het eens. Jij bent nu eenmaal een man van uitroeptekens en ik ben een man van drie puntjes …’
Ik reikte hem een hand en vroeg of hij meer koffie wilde.

Wij, de mens

Toen ik terugkwam, had hij een boek van tafel opgepakt: Wij, de mens van Frank Westerman. Ik zei dat ik van Frank Westerman hield, en van zijn verhaal.
‘Waar gaat het over?’, vroeg hij.
‘Eigenlijk gaat het over de Oermenskunde,’ zei ik, ‘de Paleontologie.’
‘Dat interesseert me niet,’ verklaarde hij. ‘Het is mij te lang geleden.’
‘Mij ook niet,’ antwoordde ik, …
‘… ja, te wetenschappelijk, natuurlijk,’ lachte hij. Hij kent mij al veertig jaar.
‘Precies,’ zei ik, ‘maar het gaat niet over die botten. Het gaat over de schedelgravers, over mensen. Kijk, als zo’n vent na tien jaar spitten een schedel heeft gevonden, die mens noch aap is, dan zou hij moeten zeggen: Hier kan ik niets van zeggen. Daarvoor heb ik minstens 100 schedels nodig. Maar wat doet hij? Bij die ene schedel verzint hij een verhaal …’
‘Een mythe!’, riep mijn vriend.
‘… precies. Want daarmee komt hij in het journaal. En de volgende graver, die de restanten van een oermens vindt, bedenkt weer een ander verhaal, want die wil ook wel met zijn kop in de krant. Dat is geen wetenschap, dat is marketing.’
‘En een mythe,’ zei hij.
‘Dus wetenschap is liefde,’ opperde ik. ‘Of omgekeerd …?’
‘Ik denk dat we beter een eind kunnen gaan lopen,’ opperde mijn vriend. ‘Het is droog.’
Daarop trokken we onze schoenen en jassen aan en besloten te voet inkopen te doen.

De liefde

Aan het eind van de middag kwamen we weer thuis en gingen koken. Toen alles op een lage pit stond te pruttelen, trokken wij elk een flesje bier los.
‘Op de vriendschap,’ zei mijn vriend.
‘Op de liefde,’ kaatste ik.
Op dat moment – blieb – opende ik mijn telefoon en trof een kort bericht aan van mijn vrouw. Ze miste mij, met drie hartjes! Ik jubelde, dat zij de liefste vrouw van de beschaafde wereld was.
‘Dat staat dan vast,’ verklaarde mijn vriend, ‘want jij kunt het weten.’
‘Ik weet niets,’ zuchtte ik, ‘dat is ook een mythe. Ik stam vast af van de Neanderthalers.’
‘Dat kan kloppen,’ kwam hij mij tegemoet, ‘want Neanderthalers hadden geen wetenschap, maar wel mythes en verhalen.’
‘Denk je dat ze een taal hadden?’, vroeg ik. Mijn vriend raadpleegde zijn telefoon.
‘Ja, waarschijnlijk wel,’ stelde hij vast. ‘Ze hadden hetzelfde strottenhoofd als wij.’
‘Dan hielden ze vast ook van hun vrouwen,’ concludeerde ik tevreden.
‘… niet genoeg,’ zei hij aarzelend, ‘anders waren ze niet uitgestorven.’
Met volle vaart was ik een doodlopende straat ingereden. Ik dreigde in een identiteitscrisis te geraken en ontsnapte naar de keuken om even te roeren.
‘Hoe ver is het!?’, vroeg mijn vriend.
Op dat moment hoorde ik de voordeur dicht vallen. Mijn vrouw meldde zich (joehoe!) en liep (klik klak klik klak) door naar het toilet.
‘Het is klaar!’, riep ik opgelucht. ‘Aan tafel!’
Toen ze binnenkwam, zoende ze mijn vriend links-rechts-links en lichtte vervolgens het deksel van de pan. Ik stond voor joker in mijn ontvangsthouding.
‘Is er iets?’, vroeg ze lacherig.
‘Hoe bedoel je!?’, klaagde ik. ‘Ik word met uitsterven bedreigd!’

Bekijk ook...

Het litteken van de dood

De eerste keer dat ik mijn vrouw sprak, was ze nog niet mijn vrouw. Tijdens een tussenuur zaten we in Rinke’s Koffiebar en bespraken ons eindexamen. Toen ik vertelde, dat ik Serpentina’s Petticoat van Wolkers had gelezen, zei ze: ‘Ik hou niet van Wolkers.’ ‘Ik ook niet,’ zei ik, maar zij had het als eerste gezegd en dat maakte indruk.

Romantiek en plein public

Een hupsige serveerster gaf mij toestemming om mijn stoel op kwart voor twaalf van mijn vrouw te schikken. ‘Ik ben een beetje doof aan één kant,’ had ik gezegd. En handtastelijk aan de andere kant, had ik eraan toe kunnen voegen, maar ik wilde het meisje niet in verlegenheid brengen. Toen ze een fles Rioja kwam brengen en het menu voor ons neerlegde, vertelde ze dat ze buiten de kaart ook hert serveerden.

Piet Wierda betreedt de oude Jouster Drukkerij (© Herman Kramer)

De Oude Jouster Drukkerij

De Oude Drukkerij in de Midstraat

Toen ik tijdens de feestdagen Black Magic Woman van Fleetwood Mac weer eens op de radio hoorde, dacht ik met weemoed terug aan de Jouster Drukkerij, ofwel de VJD. Niet alleen omdat ik dat plaatje daar voor het eerst hoorde, maar ook omdat de VJD net als Fleetwood Mac twee levens kent. Het huidige State-of-the-art bedrijf aan de Vegelinsweg doet in niets denken aan de naoorlogse drukkerij in de Midstraat, tegenover Tijmstra Expert.

In 1970 werd ik 15 jaar, dus ging ik op zoek naar een vakantiebaantje om mijn rijksdaalder zakgeld aan te...