De onvolmaakte Hand van God

Het gesneden beeld

Na de koffie en de update van ons wederzijdse welzijn, vroeg ik kunstenares Hilda Kanselaar of ze nog nieuwe projecten onder handen had. Jazeker, ze had voor een expositie het thema van haar afstudeerproject weer eens opgepakt: De onvolmaakte hand van God. Het was een gewone zaterdagavond, niets bijzonders, en daar lag het zomaar voor ons op tafel!
‘Wow!’, riep ik. Voor mijn geestesoog gloorde een alternatief voor de wereldvrede, een derde mogelijkheid, een middenweg tussen fundamentalisme en goddeloosheid. God bestond, hij was alleen niet volmaakt. En in zijn beperkingen lag een taak voor de mensheid. Briljant!
‘Nee,’ lachte Hilda, toen ik was uitgeraasd, ‘dit heeft te maken met het Tweede Gebod.’
‘Het gesneden beeld,’ legde Rudy uit.
Nu kon in mijn prille jeugd de 10 Geboden van God en de 5 Geboden van de Kerk blind foutloos declameerde, maar nooit was ik daarbij een gesneden beeld tegengekomen. Hilda, die uit de Gereformeerde klei was gekneed, legde uit dat God had verboden een beeltenis van Zichzelf te maken, en omdat Hij de mens naar Zijn gelijkenis had geschapen, was het afbeelden van een mens ook twijfelachtig, althans zo werd er onder Moslims en Joden gedacht. Chagall, kunstenaar en Jood, worstelde daar bij zijn Haddassa project in Jeruzalem ook mee en had een oplossing gezocht in het afbeelden van mensen met vier vingers, die om die reden ook indirect geen beeltenis van God konden zijn. Ze liet me haar beeld in albast van een hand zien.
‘De Onvolmaakte Hand van God heeft maar vier vingers, begrijp je?’
‘Als we de logica even buiten beschouwing laten – en de uitvinding van de fotografie – begrijp ik het dilemma van Chagall,’ verklaarde ik.
Daar lieten wij het voorlopig bij.

Brononderzoek

Maar de volgende ochtend spookte al voor het ontwaken die Onvolmaakte hand van God weer door mijn droomdenken. Het concept was geniaal, maar die 10 Geboden waren toch uit steen gehouwen? Hoe was het dan mogelijk, dat ik niet van dat Gesneden Beeld wist?
In alle vroegte besloot ik mijn gedachten eerst maar eens te ordenen in een lange email brief aan mijn vriend de Psycholoog, ook Gereformeerd.
‘… wat heb ik nu aan een Gereformeerde vriend,’ besloot ik, ‘als ik niet op de hoogte word gehouden. Ik zat erbij als de eerste de beste heiden.’ Toen ik mijn ei had gelegd, drukte ik op verzenden. Na het reinigen van mijn gebit, wekte ik mijn vrouw en liep naar mijn moeder, want lopen werkt.

Na het doorspreken van de levenden en de doden vroeg ik, of ze de 10 geboden nog zou kunnen opzeggen. Als een brommer, die te lang in het schuurtje had gestaan, kwam ze wat pruttelend op gang, maar daarna kwam het er toch vloeiend uit, precies zoals ik mij herinnerde. Geen gesneden beeld of iets wat erop leek!
Mijn moeder noemde de kwestie ‘drukte om niets’, maar ze beaamde dat die andere kerken ongezellig werden ingericht.

Bij thuiskomst vroeg mijn vrouw, inmiddels in de kleren:
‘Hoe was het met je moeder?’
‘Goed,’ zei ik, ‘maar volgens haar staat er niets over een gesneden beeld in die 10 geboden.’
‘Ach, wat maakt het uit?’, vond ze. ‘Het was toch een mooi beeld?’

Dat was het, maar ik was vast van plan dit tot op de bodem uit te zoeken en via Google vond ik het protestantse tweede gebod. De lange tekst was: U mag geen beeld of afbeelding maken van wat boven in de hemel of beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is. U mag niet voor dergelijke beelden neerknielen of deze vereren, want Ik, de Here, ben een jaloerse God, die de zonden van de vaders toerekent aan de kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen van hen die Mij haten. Maar Ik ben liefdevol voor hen die van Mij houden en mijn wetten gehoorzamen.
Dat was verdomd toch een heel eind beitelen in die stenen tafelen, dacht ik. De korte tekst luidde: U zult voor uzelf geen afgodsbeelden maken, noch die dienen.
Geknoei met taal, dacht ik, dit stinkt.

Herder wijst de weg

Mijn vriend de psycholoog had inmiddels geantwoord met een verontschuldiging: het was nooit ter sprake gekomen. Maar hij onderschreef de mogelijkheden van die Onvolmaakte Hand van God. Daar werd ik dus niets wijzer van.
Ik besloot het hogerop te zoeken. Het enige intermediair tussen mij en God was pastoor Nota, van wie ik toevallig een email adres had. Ik legde mijn bevindingen aan hem voor en vroeg tenslotte: ‘… Is er slechts sprake van verschillende vertalingen vanuit het Hebreeuws en Grieks, of zijn er wellicht andere krachten in het spel? Als ik overvraag, hoor ik dat ook graag, want ik wil u niet bij uw kudde weg houden.’
Zijn antwoord, dat bijna een week op zich liet wachten, bood op het eerste oog geen uitkomst. Hij beaamde dat er verschillende teksten waren en schreef dat ik het Eerste gebod moest hebben. Hij negeerde mijn vraag en verwees mij door naar de catechismus online. Een half uur later stuurde ik een WhatsApp bericht aan mijn vriend de Psycholoog:
Deelder schreef al over de Uitvinding van het Heelal: Hoe verder men keek, hoe groter het leek. Nou, zo is het ook met de Uitvinding van de Theologie. Onze pastoor stuurde mij het WereldWijdeWeb weer op en daar belandde ik in een moeras van bronnen en teksten, met en zonder gesneden beeld, lang en kort, soms in het eerste en soms in het tweede gebod. Met jouw welnemen luidt mijn elfde gebod: Gij zult niet vertalen, want daar komt stront van. Laat ons niet meer begrijpen, maar louter nog geloven.

Na de koffie kwam zijn bliepje:
Ik wil best geloven, maar waarin?
Daar had hij wel een punt, maar op gevoel antwoordde ik:
In de Onvolmaakte Hand van God. Amen.

Bekijk ook...

Chili con carne

Omdat mijn vrouw nog een laat overleg in Vaassen had, besloot ik Chili con Carne te maken. On-derweg van mijn werk haalde ik voor alle zekerheid een zakje saus.

Tekening van Tilly

‘Heb jij die tekening van Tilly nog?’, vroeg mijn vriend Koos van der Sloot op een dag. Het zal een jaar of 10 geleden zijn. Natuurlijk! Ik haalde een blauw portfolio van zolder, waarin ik hem bijna 30 jaar zorgvuldig had bewaard. ‘Als jij er niets mee doet, geef mij hem dan maar mee,’ zei mijn vriend streng. ‘Ik heb hem ook gekregen.’ Daar kon ik niets tegen in brengen. We hadden hem ooit gekregen voor ons tijdschrift De Vogelaar.

Ik was nog een snotneus.

Stiekem, bij de jassen

‘Ik kom voor de receptie,’ zei ik tegen een zwart bejurkte dame in de hal. ‘Trap op, linksaf, dan ziet u het vanzelf,’ zong ze routineus. Nog voor ik een kop koffie met oranjekoek in de handen kreeg gedrukt, zag ik Annie staan. Ik had toevallig gehoord dat ze er waarschijnlijk ook zou zijn, anders had ik mijn vroegere buurmeisje beslist niet herkend. Pas na de mooie woorden voor de pensionado liep ik haar toevallig tegen het lijf.