Dear Nancy

Op zaterdagnacht 24 september 1983 was iedereen in café het Hert wel zo’n beetje nat, want het was Jouster Merke, lalalalala … maar niet ik. Want elf tijdzones verderop vloog een sportwagen met gierende band van het asfalt en miste op een halve meter een kolossale eik.
‘Oh my God, Herman!’, krijste de vrouw achter het stuur, ‘we could have died together!’ 
Wij bevonden ons in de Presidio, een park nabij mijn hostel, waar ik mij voor 1 uur ’s nachts geacht werd te melden.
‘Not yet,’ zei ik onderkoeld. Hysterisch wijf, dacht ik. Toch herinner ik me haar naam nog – Leslie Hewitt – omdat haar naam voor altijd verbonden is aan Nancy. Oh Nancy, de ogen van Nancy hadden diep in mijn ziel gekeken. Zelden ben ik zo dicht bij iemand geweest, ook al zijn we niet intiemer geweest dan één enkele goodbey kus op de wang, een kwartier eerder.

Vanuit de San Francisco Bay streek een koele zeewind langs mijn bezwete rug. Ik wilde slapen, dromen en vergeten. In die volgorde.

Oogcontact

Pas toen ik die middag in Rosa’s Cantina een Burrito at, dacht ik voor het eerst in dagen weer eens aan thuis. Daar was het Jouster Merke. Ik wilde de kroeg in. Ik wilde mensen zien. Contact! Nooit eerder en nooit meer daarna was mijn bestaan zo onbelast als toen. Mijn ziel stond wijd open, ik was gelukkig, ik was vrij.

Rocking Rollings was de eerste kroeg in de States, die enigszins menselijk aanvoelde. Vooraan was het een café, waar je ook gewoon mocht rondlopen. Ik bestelde een glas Budweiser en liep door naar de dansvloer aan de achterzijde. Twee treetjes lager, dansten keurige jongelui in paartjes op Pretty Woman van Roy Orbison. Mijn haar zat in de knoop, ik had me in dagen niet geschoren, maar mijn ogen stonden goed. Opeens werd er aan mijn lange regenjas getrokken. Het was een meisje op de dansvloer. Ze riep iets, ik bukte.
‘Would you like to dance?’, vroeg ze.
‘No,’ zei ik meteen. En voegde eraan aan toe: ‘Don’t worry.’
Ze had zich alweer om gedraaid. Misschien was ik in die herrie toch iets te kortaf geweest. Iets had me geraakt. Haar ogen. Van achteren zag ze er niet opvallen uit. Lang bruin haar, klein van stuk en goed gewelfd, maar ze had bij mij naar binnen gekeken. En – dat was het – ze had door mijn shabby uitdossing heen geprikt. Ze had mij gezien, zoals ik me van binnen voelde, zoals ik het liefst wilde zijn. 

Haar stem

Enfin, ik draaide me om, ging nog een biertje halen en knoopte een gesprek aan met een Australiër. Maar toen die ging pissen, stond ze daar opeens. Ze keek me geamuseerd aan. Ik kwam voor haar staan en vroeg wat ze dronk. Een witte wijn, please.
‘So you don’t dance,’ zei ze, toen we hadden getoast.
‘I do,’ zei ik, ‘but not to his music. And certainly not in that crowd.’
‘You need room to move,’ lachte ze.
‘I do need a lot of space and when I dance, I hardly ever dance with someone. But I would have gladly made an exception for you.’ Dat zei ik en ik meende het. Ze heette Nancy Hewitt en ze woonde net een half jaar in de stad. Voor haar werk. Ze zat in de bosbouw.

Haar stem was betoverend, alle woorden waren rond en hadden betekenis. Ik had het gevoel dat we elkaar volledig begrepen. Hoe vaak komt dat nou voor in een mensenleven? Misschien kwam het door mijn stemming, maar dat maakte me niet uit. Waarom woonde ze niet in Leeuwarden, dan …

Opeens dacht ik aan mijn vriendin en mijn eed. Tja, toen ik besloot om in mijn eentje een reis door de States te maken, had ik voorzien dat ik ver van huis ook vrouwen zou ontmoeten en dat de verleiding misschien te groot zou worden. Daarom had ik in stilte gezworen, dat ik niet vreemd zou gaan. Dat gaf rust, ik hoefde niet op jacht, ik was hier alleen om iets van de wereld te zien.
Bijna ongemerkt vlocht ik in mijn verhalen ‘my girlfriend’, met wie ik wilde trouwen en kinderen krijgen. Het moest duidelijk zijn, dat ik zuiver platonische bedoelingen had en gelukkig verstoorde dat ons gesprek niet. In tegendeel. We deelden zelfs de donkere kanten uit onze jeugd en vonden woorden van troost en vriendschap.

De nicht

En toen dook opeens haar nicht op, zwaar gepoederd en gecoiffeerd. Leslie lachte veel en praatte onophoudelijk, zonder iets te zeggen, zoals dat in Amerika gebruikelijk is. Ze was opzichtig knap, maar niet mooi.
Toen ik zei, dat ik weg moest om op tijd binnen te zijn, kwam daar niets van in, want Leslie had de auto van haar ‘boyfriend’ bij zich en zou zorgen dat ik voor één uur binnen was. Meteen ging ze twee wijn en een bier halen.
‘She’s nice,’ zei Nancy verontschuldigend.
‘In a way, she is,’ gaf ik toe. O die lach van Nancy, die stem, die ogen.

Toen Leslie ons weer overspoelde met haar aanwezigheid, vertelde ze dat ze donderdag een feest gaf, omdat haar boyfriend, dan weer ‘in town’ was en ik moest beslist komen.
‘I’m not sure if I can make it,’ zei ik, ‘I’ll be out of town for a couple of days.’
Maar Leslie eiste, dat ik op zijn minst een tissue in ontvangst zou nemen, waarop ze met lipstick beide telefoonnummers noteerde. Het zou ‘great’ zijn, als ik zou komen. Ik moest, ik moest. Ik beloofde erover na te denken en informeerde naar hun familiebetrekking. Wat me vooral duidelijk werd, was dat over bepaalde zaken zelfs niet tussen de nichten werd gesproken, omdat dat een begraven verleden stinkt.

Toen het half één was geweest kuste ik Nancy ‘goodbey’. Opeens trok er een wolk over haar blik. Leslie zei dat we moesten opschieten.

De volgende dag, in de bus over de Golden Gate Bridge naar Sausolito, noteerde ik in een schrift alles wat ik me van onze ontmoeting herinnerde. Daarna sloeg een bladzijde om. Ik was ervan overtuigd, dat we elkaar nooit meer zouden zien en zo hoorde het ook.
God zij dank was ik trouw aan mezelf gebleven.

Wordt helaas vervolgd 

 

Bekijk ook...

Afscheid van een kamerplant

Toen ik mijn vrouw bij thuiskomst met overgave zoende, voelde ze anders aan. ‘Is er iets?’, vroeg ik. ‘Hij is weg,’ zei ze met een ondertoon van spijt en berusting. ‘Dat is waar ook! Je hebt meneer Theo naar het tehuis gebracht … of is het een pleeggezin?’ ‘Nee, nee, hij staat in een tuinkas, tussen de andere cactussen. Ach, je had hem moeten zien. Hij stond daar zo stoer …

Pier Nijholt (1922-2008)

In Paradisum

Niemand ging mooier dood dan mijn vader. In de zomer van 2007 werd in het ziekenhuis slokdarmkanker vastgesteld en kreeg hij slechts enkele maanden mee naar huis. Hij zuchtte tweemaal diep en was er klaar voor.

De laatste test

‘Oké!’, zei ik tegen collega Gerard, na de zoveelste rochelende hoestbui, ‘ik ga wel naar huis en laat me testen.’ Ik was natuurlijk alleen maar verkouden. Dat had ik steeds gezegd. Ook om mezelf te overtuigen.