Die ballon was rood

De conservator

‘Jezus, wat een weer!’, zuchtte ik buiten adem, terwijl ik mijn leren jas uittrok en over een lege stoel hing. Een ouder echtpaar aan een ander tafeltje keek mij angstig aan. Ik had volstrekt overbodig de naam van hun Verlosser ijdel gebruikt en dat speet me oprecht, ook al had ik volgens mijn boekje niets verkeerd gezegd. Wij hadden onze toevlucht gezocht in een drinkgelegenheid, die was gevestigd in een voormalig bankgebouw en mijn boekje deed er niet toe. Dit havenstadje was hun thuis.
‘Waar waren we gebleven?’, vroeg ik, toen ik onbesuisd in een stoel neerviel.
‘Bij jouw fenomenale geheugen,’ zei mijn vriend de Psycholoog, ‘maar ik ga eerst wateren.’
Dit stadje was ook zijn thuis. Hij kende hier de juiste woorden.
‘Moet ik iets voor je bestellen?’, riep ik hem na.
‘Koffie …’ zei hij en hij spoedde zich de trap af.

Het is natuurlijk prettig, bedacht ik, om te worden geprezen, maar toch had ik bedenkingen tegen dat fenomenale geheugen. Ik word doorgaans geroemd vanwege de stelligheid en het detail, waarmee ik bestorven gebeurtenissen uit het verleden weer tot leven kan wekken. Ik heb een cinematografisch brein. Als ik een beginnetje heb, zie ik de geschiedenis weer voor mijn ogen gebeuren, met alles erop en eraan. Soms reproduceer ik bijna woordelijk wat iemand vijftig jaar geleden heeft gezegd. Het is ongetwijfeld waar, dat mijn verbeeldingskracht die herinneringen vers houdt, maar ik vrees dat diezelfde verbeeldingskracht ook de hiaten in mijn geheugen inkleurt naar de smaak en luim van de dag. Ooit sloeg ik voor een verhaal mijn dagboek erop na en zo kwam ik erachter, dat ik in de loop der jaren onbewust twee gebeurtenissen in mijn hoofd had samengesmolten tot één herinnering. Het resultaat was een beter verhaal. Ik hou van een goed verhaal, maar toch, zodra iemand mijn geheugen prijst, voel ik mij een charlatan.
‘Mag ik even afrekenen?’, vroeg de oude man aan een lief etnisch meisje, dat opeens bij mijn tafeltje stond.
‘Ik kom zo bij u’, zei ze vriendelijk maar beslist. Ik had dat stel niet weggejaagd. Ze hadden hun thee op en moesten ongetwijfeld verder. Dat prentte ik mijzelf in.
‘Twee lekker kopjes koffie, graag,’ zei ik zacht.

De kleine catastrofe

‘Wat ik me afvroeg’, zei mijn vriend, toen hij met een ontlast gemoed tegenover mij zat, ‘… waar ik benieuwd naar ben is jouw aller vroegste herinnering.’
‘Heb ik dat nooit verteld?’, vroeg ik om tijd te winnen. Ik moest even schakelen.
‘Misschien,’ zei hij onbekommerd, ‘maar dan vertel je het gewoon nog een keer.’
‘Goed’ zei ik, ‘mijn aller vroegste herinnering. Ik heb een aantal beelden uit de tijd dat ik nog maar drie was, maar bij die vraag vertel ik meestal het verhaal van mijn rode ballon.’
‘Natuurlijk,’ glimlachte mijn vriend. Hij kent ook mijn ondeugden.

‘Stel je even voor: Het is Jouster Merke, uhmm … 1958. Het is mooi herfstweer en wij lopen in de Hobbe van Baerdstraat op het trottoir aan de linkerkant, op weg naar huis. Mijn moeder achter een wandelwagen en ik ernaast. Ik heb een rode ballon gekregen, die met een touwtje om mijn pols zit gebonden. Natuurlijk loop ik te spelen met dat wonder van omgekeerde zwaartekracht en waarschijnlijk zit ik aan het touwtje te freubelen, want opeens zie ik die ballon opstijgen, boven de huizen en weg. Het is een wonder en een drama, natuurlijk. Ik ben ontroostbaar, dus als mijn vader thuiskomt uit de fabriek, vertrekt hij meteen weer om mijn ballon te zoeken. Even later komt hij terug en geeft mij de ballon terug. Nu moet je niet meer huilen, zegt mijn moeder. Ik zeg dank je wel, want dat hoort zo, maar ik zie meteen, dat hij de ballon van een ander kind heeft gevonden. Deze is namelijk blauw en mijn ballon was rood.’
‘Mooi verhaal,’ prees mijn vriend.
De serveerster had de koffie inmiddels voor ons neergezet. Ik at eerste mijn biscuitje op. Mijn vriend gooide mij ook zijn koekje toe en nam een hete slok.
‘Lekker,’ zei hij.

Doktor Freud

‘Maar we zijn er nog niet,’ zei ik. ‘In de loop der jaren komt die herinnering geregeld boven.’
‘Natuurlijk,’ zei mijn vriend, ‘het was dramatisch.’
‘Traumatisch,’ verbeterde ik.
‘Ik bedoel maar,’ sprak mijn vriend plechtig.
‘Maar een paar jaar later,’ zei ik nu ernstig, ‘realiseerde ik me, dat mijn vader zich natuurlijk helemaal niet had vergist. Hij was rechtstreeks naar die ballonnenverkoper gefietst en had een nieuwe ballon gekocht. Ze hadden me dus voorgelogen. Dat was vast rond de tijd, dat mijn moeder opbiechtte, dat Sinterklaas niet bestond.’
‘Nog mooier!’, vond mijn vriend.
‘Ja,’ zei ik, ‘… maar nu ik jou dit vertel, op dit moment realiseer ik me, dat ik misschien alleen maar heb aangenomen dat mijn vader mijn rode ballon ging zoeken, dat ze dat helemaal niet zo hebben gezegd. En als dat waar is, heb ik later ook ten onrechte aangenomen, dat ze me hebben voorgelogen. Begrijp je? Shit, wat moet ik daar nu weer mee?’
‘Doktor Freud!’, sprak mijn vriend plechtig.
‘Hoezo Freud? Ging die niet over dromen,’ vroeg ik. ‘Wat ik bedoel is, dat dat verhaal al 60 jaar hetzelfde is, omdat ik het steeds opnieuw vertel. Maar misschien heb ik achteraf bekeken mijn ouders wel verkeerd begrepen … Verhip, je hebt gelijk: die herinnering heeft net als een droom wel degelijk een actuele betekenis. Maar ik heb geen idee meer, wat ik wilde zeggen. Ik ben de draad een beetje kwijt …’
‘Fascinerend,’ sprak mijn vriend met een stralende lach. Hij had zijn koffie op en zat met het lepeltje te spelen. Ik wachtte op een verlossende of troostrijke conclusie, maar waarschijnlijk had hij gewoon dorst.

‘Wat drinken we?’, vroeg ik dus maar.
Toen schoot hij in de lach en legde een hand op mijn schouder.
‘Die ballon was rood!’ zei hij met nadruk. ‘Ja toch? Goed, hou dat vast, want daar gaat het om. En doe mij maar een groot glas bier.’

Bekijk ook...

De Koffiehûs Blues

Toen ik in de krant zag, dat Het Friesch Koffiehuis in Leeuwarden wordt gesloopt, ging ik even koppie onder in een branding van weemoed. In het bijschrift las ik dat het leegstaande pand ‘een rotte kies’ was, die voor 2018 Culturele Hoofdstad getrokken moest worden. Nou, ik kan u verzekeren, in de ogen van het establishment was Het Friesch Koffiehuis in de jaren tachtig een bek vol rotte kiezen. Juist daarom kwam ik er zo graag.

Rechts, links, troelala.

Ik keek verdwaasd naar een border, die ik geacht was te gaan wieden, want het was ook mijn tuin. ‘Hoe zie ik nu wat onkruid is?’ ‘Nou, die lelijke stengels …’ wees mijn vrouw. ‘En dit dan?’, vroeg ik en wees naar een plantje met mooie witte bloemetjes. ‘Eruit,’ zei ze rigoureus. ‘Maar hij bloeit!’ ‘Hij bloeit tussen mijn tegels.’

De kleur van Liefde

‘Kan ik u helpen?’, vroeg het bloemenvrouwtje. ‘Misschien,’ zei ik, ‘waar staan de gele boeketten?’ ‘Geel! Dat is grappig,’ riep ze olijk. ‘Niemand vraagt om geel.’