Een Kerstvertelling

Een stukadoor

Bij mijn vriend de psycholoog zult u dezer dagen niet een boom aantreffen, maar twee jaar geleden stond er zomaar een lustig kerststuk bij hem op tafel. Dat kwam zo:

Op een winterige zondagochtend werd er bij hem aangebeld. Op de galerij stond een kolossale man. Hij hield een mok voor zich en vroeg of hij een paar scheppen koffie mocht lenen.
‘Kom maar verder,’ zei mijn vriend, ‘dan zet ik wel even.’
Ze liepen door naar de keuken, waar hij met een filter en een koffiebus in de weer ging.
‘Dus,’ sprak de man plechtig, ‘gisteren ben ik hiernaast ingetrokken, ziet u. Ik ben uit elkaar.’
‘Dat kan een ramp zijn, of juist een uitkomst,’ verklaarde mijn vriend, terwijl hij de scheppen uittelde: … vier, vijf.
‘Ik ben stukadoor, ziet u, maar ander werk gaat me ook wel goed af. En toen ik trouwde was dat wat waard. Ons huisje heb ik zelfgebouwd. Dat is een gegeven.’
Mijn vriend, die ternauwernood een lamp kan verwisselen, knikte met ontzag. De man zeeg neer op een keukenstoel en legde zijn handen open in zijn schoot.
‘Maar heden ten dage willen ze, dat je erbij komt zitten en dat je gevoelens hebt,’ sprak de man, ‘en ik ben geen prater, ziet u. Ik heb geen tekst en dan ga je nat. Daarom dus.’
De radio, die een liedje van vroeger speelde, vroeg even zijn aandacht.
‘U zou eens kunnen proberen om het op te schrijven,’ opperde mijn vriend, ‘in een brief.’
De man keek hem wanhopig aan, maar toen hij zijn koffie op had, keerde hij huiswaarts met een schrijfblok en een balpen. Mijn vriend was blij dat hij iets voor zijn naaste had kunnen doen.

 

Een brief

Een week later stond de stukadoor weer voor de deur met het schrijfblok in de ene hand en de pen in de andere. Mijn vriend ging weer koffiezetten en vroeg of het was gelukt.
‘Ja, dat weet ik dus niet,’ zuchtte de man. Hij sloeg de eerste acht blaadjes om en schraapte zijn keel: ‘Lieve Sjennet, ik ga hier dood …’
Mijn vriend onderbrak hem snel en zei, dat die brief voor zijn vrouw was en dat hij hem moest posten. Dat vooruitzicht boezemde de grote man echter vrees in. Mijn vriend kwam bij hem zitten en legde een hand op zijn schouder.
‘Vrouwen horen graag, dat je van ze houdt,’ legde mijn vriend uit, ‘ik zou de sores dus maar voor mezelf houden. Probeert u zich eens voor de geest te halen, dat u verliefd bent …’
‘O God,’ zuchtte de man, maar toen ging het licht op. ‘Kijk, ik loop daar wel eens langs, voordat ze de gordijnen dicht heeft. En als ik haar zie is het net of ik een baksteen heb doorgeslikt. Bedoelt u dat?’
‘Dat bedoel ik!’
‘Maar die kant en klare maaltijden liggen mij ook zwaar …’
‘Niks maaltijden!,’ zei mijn vriend. ‘Neem het blok maar weer mee. En hou het positief. Heeft u postzegels?’
Hij haalde een envelop uit zijn schrijfbureau en plakte er een postzegel op. Toen vroeg hij het adres en adresseerde hem. Alweer een daad van naastenliefde.

Toen de stukadoor een week later het schrijfblok kwam terugbrengen, liep de koffie al door. Dinsdag had hij de brief voor alle zekerheid bij het postkantoor afgegeven. Mijn vriend prees hem en vroeg of hij al iets had gehoord.
‘Dat niet,’ zei de man somber.
‘Sommige dingen hebben tijd nodig,’ opperde mijn vriend.
‘… maar ze heeft wel d’r haar wel laten verven voor 52,50. En ze heeft ook nieuwe kleren gekocht voor 586 euros! Ziet u, ze heeft nog steeds mijn rekening. Ik denk, dat ze een ander heeft. En die maak ik dood.’
Mijn vriend wees hem op het feit, dat dit strafbaar was, maar dat wist hij al. Het was maar een gezegde, zei hij. Mijn vriend was even onthand, maar toen kreeg hij een ingeving.
‘Uw vrouw weet toch wel dat die brief van u is? Ik bedoel: Uw naam staat er toch onder? … Ook niet op de envelop? … Tja, ik begrijp het.’
De man sloeg zijn handen voor zijn gezichten en ademde zwaar. Mijn vriend opperde een tweede brief, met zijn naam erop, maar de kreunde: ‘Alles valt verkeerd.’
Mijn vriend realiseerde zich inmiddels, hoe lichtzinnig zijn advies was geweest. Feitelijk wist hij niet van wat daar achter de gordijnen had plaatsgevonden. Hij prees zich gelukkig dat de man zijn ameublement intact liet en tenslotte verslagen maar gedwee de deur uit ging.

Een open deur

‘Ik dacht, buurman zal wel denken: politie aan de deur,’ zei de stukadoor een week later, ‘maar het was niks hoor.’
Mijn vriend liet hem binnen – hij had geen keus - en ging begaf zich weer naar het koffiezetapparaat. Op voorhand was hij blij, dat het niets was, waar het ook om ging, want schuld en angst hadden hem die week uit de slaap gehouden.
‘Het zit ziezo,’ zei de man, toen ze zaten. ‘Ik zag haar bij die bakker op de Dreef naar binnen gaan. Ik was haar een stukje nagelopen, dat geeft afleiding, als u begrijpt wat ik bedoel. Afijn, ik blijf wat hangen en met dat ik langs loop, zie ik dat ze als een bakvis stond de schateren, en dat die bakker om de toonbank is gelopen en haar vastheeft! Hier zo! Toen werd het even zwartwit voor mijn ogen. Ik ben een blokje omgelopen en toen heb ik die deur uit zijn verband getrokken. Die kon er natuurlijk ook niets aan doen …’
‘De bakker?’
‘Nee, die deur, maar ik moest toch iets? Nou ja, daarom had ik dus gistermiddag de macht over de vloer. Of ik gedronken had en me dit en me dat. Ze hebben alles opgeschreven en ik zou er nog wel van horen.’
Mijn vriend was sprakeloos.
‘En weet u wat het ergste is? Het kost weer een hoop geld, en ik ben er niet eens van opgeknapt.’
 

Bij de deur wensten ze elkaar toch maar een prettige kerst – wat moest je anders zeggen? Geen van beide nodigde de ander uit voor de feestdagen, meer toch stond de stukadoor op eerste kerstdag als vroeg voor de deur met een kerststukje. Zijn wangen glommen en hij rook naar aftershave. Toen mijn vriend op zijn werktafel een prominente plek had vrijgemaakt, zei de man: ‘Gekregen. Maar ik ben de kerstdagen niet thuis, ziet u.’
Mijn vriend ging koffiezetten. Toen ze tegenover elkaar zaten, zei hij: ‘U bent de kerstdagen de deur uit.’
‘Ja, ik dacht gisteren: zij zit elk jaar in de nachtmis, laat ik voor de aardigheid ook eens gaan. Het is een vrij land, toch? Goed, ik wou haar gewoon even zien, maar ze was er niet. Even goed viel het me niet tegen, hoor, want iedereen was heel vriendelijk en ik hou van zingen, weet u? Ja, ik heb een stem: Glohohoho-hohoho-hohohohoria!!! … Maar bij het uitgaan schoot ze me aan. Ze was er dus toch. Toen ze had gehoord van die deur, zei ze, toen had ze uitgedokterd dat die brief van mij kwam. En ze was niet eens boos. Ze zei, dat ik vanmiddag maar moest komen eten, want dan zijn de kinderen er ook, met het kleine grut …’
Opeens hapte hij naar lucht en zocht naar een zakdoek. Over zijn blozende konen liep een dikke traan.
‘… en toen trok ze mijn kop naar beneden, ze gaf me een zoen en fluisterde dat ik mijn nachtgoed maar mee moest nemen.’
Mijn vriend prees de stukadoor omstandig voor zijn moed.
‘Eerst maar voor één nachtje, hoor,’ zei de man, toen hij opstond, ‘maar wat ik wou zeggen: als u ooit een klusje stucwerk hebt, dan kom ik eens een zaterdag te smeren. Al is het hier natuurlijk huur …’
‘Je weet maar nooit,’ besloot mijn vriend tevreden.
‘Nee,’ gromde de man tevreden, ‘ik weet verdomme helemaal niets! Maar zolang je warm zit, maakt dat niet uit. Gaat u zelf nog iets doen met de kerst?’ … enzovoort, enzovoort.
Geen idee hoe het is afgelopen. Maar voor eerst wens ik iedereen een gelukkige kerst.

Bekijk ook...

Spoorzicht, zoals het er in '76 bij stond

Spoorzicht (1976)

‘Zal ik de dozen van zolder halen?’, vroeg ik zaterdag na Driekoningen. Mijn vrouw keek een beetje zuur en vroeg: ‘Zullen we hem niet nog een weekje laten staan?’ ‘Mij best,’ zei ik, ‘we hebben niet voor niets een plasticboom. Wat mij betreft blijft hij staan tot Pasen.’ Onwillekeurig moest ik denken aan een zaterdag tegen Pasen 1976.

Bubbles or coffee, that's the question.

De digitale hand van God

‘Zegt u het maar?’, sprak de man door een ernstige baard, toen ik mijn PC voor hem op de toonbank plaatste. ‘Mijn Email doet het niet meer,’ zei ik. Ja, ik had nog wel internet, ik zag ook nog steeds mijn berichten, maar verzenden en ontvangen werkte niet meer. Nee, ik was me van geen abonnement of wachtwoord bewust. Tenslotte biechtte ik op, dat …

Gewoon iets leuks

‘Wat wil je voor je verjaardag?’, vroeg ik, tijdens een reclameblok aan mijn vrouw. ‘Gewoon. Iets leuks,’ zei ze. ‘Lingerie bijvoorbeeld?’ ‘Nee, dat lijkt me geen goed idee,’ antwoordde ze schamper. ‘We kunnen ook samen wat uitzoeken.’ ‘Maar dan is het geen verrassing meer.’