Een zaterdagochtend, januari 2021

7.58

Ik had nog geen zin om onder de douche tegen het harde plaveisel van de dagelijkse werkelijkheid te worden gesmeten, dus sloop ik in kamerjas de trap af. Ik legde de kussens in de bank recht en bracht de afgebrande waxinelichtjes en de glazen van gisteravond naar de keuken. Daar mengde ik een beker slobber (1 kwart choco light en 3 kwart halfvolle melk) en smeerde …. vooruit, deze keer twee beschuiten pindakaas met stukjes noot. In de voorkamer opende ik de gordijnen, maar omdat de dag nog aarzelde, liet ik het kunstlicht aan. Jammer, dat we vorige week de kerstboom alweer hadden opgeruimd, dacht ik. Liefst had ik hem tot Pasen laten staan, maar waarschijnlijk had ik dat alleen gezegd, omdat ik daar nu eenmaal niet over ga.

Omdat ik geen zin aan het nieuws had – het kabinet is gevallen, de Engelse mutant rukt op, nou en!? - begon ik verwoed alle puzzeltjes in de krant op te lossen. Toen ik vastliep in een doorloper, realiseerde ik me dat er geen muziek op stond. In de werkkamer startte ik de PC op, maar opende toen per ongeluk mijn mail.
Ook geen nieuws, maar nog wel een 2-wekelijkse Corona enquête van Lifelines [een medisch onderzoeksproject].  Steeds weer diezelfde vragen beantwoorden stond mij eigenlijk tegen, maar als de overheid nu met alle geweld een thermometer in de aars van de samenleving wilde steken, was ik de beroerdste ook niet.

Wederom wilden ze weten of ik de laatste 2 weken zwaarder was geworden, meer of minder bewoog, vaker depressief was geweest, mijzelf soms ‘waardeloos’ voelde of suïcidale gedachten had. Ik ontkende alles met grote stelligheid en zal dat blijven doen, tot de dag dat ik mij verhang. En of ik vertrouwen heb in het regeringsbeleid? Natuurlijk heb ik vertrouwen in het beleid van onze demissionaire regering!!! Want het alternatief is verschrikkelijk! Een dierbare vriend is als gevolg van een ongunstig algoritme voorgoed afgedaald naar een andere werkelijkheid, vrees ik. Volgens hem is het Corona beleid een complot. Niemand reageert meer op zijn berichten in onze groepsapp. Is het niet verschrikkelijk? Daar zou ik nu depressief van kunnen worden, als ik het mezelf zou toestaan. Maar dat doe ik niet! Mij krijgen ze er niet onder. Liever denk ik vooruit aan het feest dat zal losbarsten, zodra we weer mogen zoenen, aan die eruptie van blijdschap. O heerlijkheid. En daar zijn we nu dus voor aan het sparen.

9.38

Niet omdat er iets op het programma stond, maar omdat ik begon te vereenzamen, liep ik naar boven en deed met een ruk de gordijnen open. Aan de manier waarop ze haar ogen opende zag ik, dat ze al wakker was.
‘Ligt er sneeuw?’, zuchtte ze.
‘Nee,’ zei ik, ‘er ligt geen sneeuw.’
‘Maar het was beloofd. We zouden wakker worden met een paar centimeter sneeuw.’
‘Het spijt me,’ zei ik. ‘Ik ga koffiezetten.’

Beneden klikte ik alsnog afspeellijst Hermans Top 2000 – 3 aan. Nick Drake, The thoughts op Mary Jane. Paste perfect bij alweer een grijze dag. Vervolgens zette ik koffie en ruimde de vaatwasser uit. Mijn Maxima koffiemok en haar Portugese beker liet ik bij het filterapparaat staan.

Ik pakte mijn boek op en had net twee regels gelezen, toen ze gapend binnenkwam. Ze maakte een tevreden indruk, waarschijnlijk ingegeven door het vooruitzicht op koffie. Slechts een detail misschien, maar dat troostte mij.
‘Ben ik depressief?’, vroeg ik, om contact te leggen.
‘Natuurlijk niet,’ zei ze beslist en ze nam haar tablet op.
‘…. zie je wel,’ zei ze even later. ‘Hier staat het: Zaterdag in het hele land sneeuw!’
‘De dag is nog lang,’ zei ik. Dat was positief bedoeld, maar de formulering had toch een sombere afdronk.

(Trouwens – dat was ik nog vergeten te zeggen – dit is geen verhaal, hoor. Er gebeurt vandaag echt niets. Pak gerust een boek, want op TV en in de krant gebeurt ook niets, niets dat u niet al wist, niets nieuws.)

All is quiet on the western front’, mijmerde ik, of ‘Nothing happening by the see’? Als overtuigd optimist, koos ik voor het laatste. Maar Spotify zond mij Jo Stafford, Stranger on the shore. Het tegenovergestelde.

10.19

Over formuleren gesproken – mijn vrouw zette ondertussen de koffie voor me neer en sloeg de krant open – over formuleren gesproken, ik lees de laatste tijd door omstandigheden erg veel. Ik lees me zogezegd naar een andere wereld, een wereld met kleur en fleur. Op advies van mijn vriend Kees ben ik begonnen met simultaan lezen: meerdere boeken tegelijk. Op bed (of in bad) lees ik bijvoorbeeld de bloemlezing van Renate Rubenstein en beneden lees ik een verhalenbundel van Bob den Uijl en af en toe een blues-verhaal van een vriend . Een geweldige ervaring! Niet alleen die boeken, maar vooral de cocktail, die ze in mijn hoofd vormen. Ze versterken elkaar. Bob den Uijl bij voorbeeld gebruikt grappige vreemde woorden. Zijn formulering zit er vaak net naast. Op dat punt doet hij me denken aan Johnny Jordaan. Die zit er ook geregeld naast en dat is juist zijn charme. Al word je er op den duur wat melig van.

Madness, Rat in the kitchen. Wie zouden ze bedoelen? Trump?

Renate Rubenstein heeft juist een hele vertrouwelijke toon, waarmee ze me diep in haar hart laat kijken. O, wat hield ik van haar stem, van haar toon, haar vrouwelijkheid en haar moed. Toen ze nog leefde. Ze maakt me nog steeds gelukkig, maar ook melancholiek.
In de verhalen van mijn vriend gaat het niet om de formulering, maar doordat ik zijn verhalen tussen de anderen door lees, is dat geen bezwaar.

10.44

Stevie Wonder, They won’t go when I go. Vroeger vond ik het alleen maar mooi, maar nu bespeurde ik een urgentie in zijn stem, die me een schuldgevoel bezorgt.
‘Elma is geprikt,’ zei mijn vrouw hardop.
‘Elma wie?’, vroeg ik instinctief, maar meteen realiseerde ik me, dat Elma een Wordfeud vriendin was – over woordkeuze gesproken – die bij de GGZ werkte. Ze hadden nog wat doses overgehouden en toen zichzelf of elkaar maar geprikt. Ik vroeg voor de duiding van haar melding of dat mocht. Ja, er stond bij dat dat mocht. Dat Pfizer vaccin kon je niet te lang bewaren als het eenmaal uit de diepvries was gehaald en weggooien was ook zonde.
‘Vraag eens of ze nu ook meteen weer gaat daten,’ zei ik bij wijze van humor. Mijn vrouw vond het niet grappig en ze werd ook niet boos. Ze reageerde überhaupt niet. Ik was haar weer kwijt.

‘Ik denk dat ik maar eens ga douchen,’ zei ik uit balorigheid.
‘Neem je die lege kopjes dan ook even mee?’, vroeg ze zonder op te kijken.
‘Mee naar boven!?’, riep ik quasi verbaasd.
‘Doe nou niet zo moeilijk,’ zei ze geagiteerd. ‘Ik bedoel, als je toch gaat staan …’
‘Zeg, hebben wij de laatste 2 weken ook meer spanningen?’, vroeg ik, terwijl ik gedwee de kopjes wegbracht.
‘Volgens mij niet,’ zei ze, alsof het haar niet aanging. Het kruiswoordraadsel op haar beeldscherm eiste al haar aandacht op.
‘Nee,’ zei ik. ‘Dat heb ik ook ingevuld … in die enquête.’
‘O, heb je het daar nog steeds over,’ zei ze. ‘Je zou voor de aardigheid eens moeten invullen, dat de spanningen niet te dragen zijn en dat je elke dag suïcidaal bent. Ik ben benieuwd wat er dan gebeurt.’
‘Mijn persoonlijke welzijn verdwijnt in het landelijk gemiddelde,’ stelde ik vast. ‘Voorlopig gebeurt er helemaal niets.’

Toen liep ik naar boven en draaide de douche open. Ik probeerde me uit alle macht de droom te herinneren, waarmee ik was ontwaakt, maar ik kon er niet meer bij.

Bekijk ook...

Tess en pake Herman

Tot meer tellen!

Met de kleine meid op schoot, terwijl zij een boterham oppeuzelde, nam ik een populairwetenschappelijk magazine door, waarin de werking van het heelal werd uitgelegd. ‘Kijk zo,’ zei ik. ‘Jij bent ons zonnetje …’ en terwijl ik stukje brood in een baan om haar hoofd bracht: ‘… en dit is een planeet.’

Twee bier en een appje

‘Het probleem is, dat ze tegenwoordig geen brieven meer schrijven,’ legde mijn vriend de Schoolmeester op gezaghebbende toon uit. De aanleiding was een artikel over de tanende verbale vaardigheden onder studenten. ‘Ze komen niet meer uit hun woorden. Dat is het probleem.’ ‘Misschien heb je gelijk,’ antwoordde ik, ‘maar je houdt de vooruitgang nu eenmaal niet tegen.’

Allemaal naar buiten voor de foto ...

Mijn neef Koen

Tijdens een familiegebeuren sprak ik weer eens neef Koen, voor wie ik al sinds zijn geboorte een zwak koester. Als kind kwam hij vaak logeren, maar sinds hij in Groningen woont, zie ik hem nog zelden. Hij was mager geworden en droeg een bril. Door het toeval gestuurd stonden wij naast elkaar in de keuken, ik in de weer met de prinsessenbonen, hij met de uien. ‘Hé Koen, hoe gaat het?’, vroeg ik, toen ik een traan over zijn wang zag biggelen.