Grenzen van intimiteit

3 september 2021

Al de hele week droeg ik, ook naar mijn werk, de jas van Koos, die hij bij zijn laatste reis aan de kapstok had laten hangen. Met die jas en mijn mooiste overhemd aan zat ruim op tijd klaar, maar door een samenloop van omstandigheden en een litanie van noodzakelijke vrouwengedoetjes, vertrokken wij toch iets aan de late kant. Voor de expositie en de boekpresentatie zouden we wel op tijd zijn, maar ik had me vooral verheugd op het weerzien met vrienden van weleer.

Letterlijk onthand door de spreekwoordelijke kop koffie met oranjeboek, die ons bij het betreden van de binnentuin van de Brasserie in handen werd gedrukt, (om het van overheidswege ten strengste verboden handen schudden te ontmoedigen, bedacht ik wrevelig) spiedde ik het gezelschap af. Ik begroette een dierbare kennis, die ik niet had verwacht. Ik vroeg hoe het was, maar werd onmiddellijk onderbroken door Bert Looper, die het woord vroeg. Wel goed, fluisterde de kennis nog.

Er volgde een reeks speeches over onze vriend en kunstenaar Koos van der Sloot, die als een heilige geest over ons heen daalde en onwillekeurig onze harten vulde, gevolgd door een reeks dankbetuigingen aan hen, die zich hadden ingezet voor de expositie Kloktijd Voorbij en aan het overzichtsboek, Koos van der Sloot 1953-2018. Ik had de biografie voor het boek geschreven.

Toen Bert ons na de laatste spreker nog op het hart had gedrukt, dat we hem na de bezichtiging niet met de bitterballen mochten laten zitten, werd het tijd om ons te baden in kunst.
‘Zeg, wat doe jij tegenwoordig?’, vroeg de kennis, ‘of ben je al met pensioen?’ Ik deed beknopt tekst en uitleg, al irriteerde het mij dat ‘iets doen’ en ‘pensioen’ kennelijk een tegenstelling vormden. Koos was verdomme pas kunstenaar geworden, nadat hij noodgedwongen met pensioen ging.

Kloktijd Voorbij

In het gebouwtje Obe op het Oldehoofsterkerkhof schoot ik meteen in de lach bij het weerzien met Koos, in zijn kunst, maar nog meer in de foto’s van zijn atelier en de vitrines met zijn rommeltjes, eieren en aantekeningen. Zelfs een paar oude Vogelaars, die wij samen hadden uitgebracht! Mijn vrouw maakte foto’s. Ik praatte hardop, alsof Koos zelf mij rondleidde, alsof hij vlak achter me stond. Een overleden vriend is ook gewoon een dierbare, die er even niet is.  

Opeens stond ze tegenover mij, een grijze vrouw met in haar hand een roos, die ik met terugwerkende kracht uit mijn ooghoek op een tafeltje had zien liggen. Pas toen ze lachte, smolt het craquelé van 35 jaar kloktijd weg en fonkelden haar ogen weer als vanouds bij mij naar binnen.
‘Monique!’, riep ik, ‘wat geweldig dat jij er bent!’
‘Ook fijn om jou te zien,’ zei ze met een stem, die iets dieper was dan vroeger. Toen gaf ze mij de roos, nog in het cellofaan. ‘Er zat een kaartje bij,’ zei ze met spijt, ‘maar dat is kwijt …’
‘Ik weet niet wat ik moet zeggen,’ zei ik maar. Ik, wij … ja, sorry, we stonden hopeloos in de weg. Wij moesten door en zij was al op weg naar de bitterballen van Bert, maar ze zou op mij wachten. 

‘Wie was dat?’, vroeg mijn vrouw.
‘Een ex van Koos’, verklaarde ik, ‘de lieve kapster uit mijn verhaal, weet je wel? Koos was mijn vriend, maar we waren allebei dol op Monique. Ach, zo’n schat …’ Toen zag ik opeens een andere versie van Adam en Eva Superbia, zonder kastje en op één paneel. Nooit eerder gezien. De eerste versie hing in twee kastjes bij ons in de werkkamer. Die doerak, lachte ik. Koos, waar ben je!? O, wat miste ik mijn vriend opeens.

Ontdooid verleden

Terug in de binnentuin was er alle ruimte om oude vrienden en kennissen een hand op de schouder te leggen en de laatste roddels uit te wisselen, maar al snel vond ik een plek in de luwte, waar Monique en ik ons weerzien in alle rust konden voortzetten. Strikgenomen hadden we elkaar ook bij de uitvaart van Koos gezien, maar daarna had ze in mijn herinnering toch weer haar onuitwisbaar jongere gedaante aangenomen.

Het is wonderlijk, hoe wij tegen de tijd in terugliepen en ik me weer die zorgeloze jongen van toen voelde. Zij vertelde met veel liefde over haar tijd met Koos en over de vriendschap met mij en mijn ex. Weet je nog? … O God, nee, ik herinnerde me genoeg, maar ik was ook zo veel vergeten. Misschien kwam het door de wijn en het weerzien met het werk van Koos, maar opeens voelde ik weer die diepe vriendschap, die aan liefde raakt, zonder ooit de grenzen van intimiteit te slechten.

Aan de overkant van de tafel stak mijn vrouw haar telefoon op. Wij lachten – klik klik, voor de eeuwigheid, een foto van een kruispunt in de tijd.
‘Ik heb nog een foto van jou met Hedzer, toen die net was geboren,’ zei ik. Zij had onze eersteling gezoend en daarbij een traan gelaten, wist ik nog. ‘Ook van Koos, trouwens,’ voegde ik eraan toe, ‘maar dat zag er wat ongemakkelijk uit.’ We moesten lachen, ja, die Koos … het gezinsleven was uiteindelijk toch niet zijn dingetje. Ik dacht aan zijn versie van hun split, maar naar haar versie wilde ik nu niet vragen.

Onrecht

Mijn vrouw aan de overkant was uitgepraat.
‘Het is een groot onrecht,’ zei ik opstandig. Hoewel Monique me niet begreep, wachtte ze geamuseerd mijn verklaring af. ‘Dat noemt zich een goede vriend,’ zei ik, ‘dat neemt een fantastische vriendin mee. Waar je bevriend mee raakt en aan gehecht raakt. En op een dag zegt hij opeen: het is uit. En je ziet haar nooit weer terug!’
‘Ja, het is verschrikkelijk,’ lachte ze.
‘… en zonder omgangsregeling,’ verzuchtte ik.
‘Zo gaat dat nu eenmaal,’ zei ze flink.

Die roos die daar lag, dacht ik opeens, dat had ik dus nooit gedurfd. Ik ben maar een man. Mijn vrouw was ondertussen opgestaan en keek op haar horloge. Ergens wachtte een tafel voor twee op ons. Ik stond ook op. Monique ook. We omhelsden elkaar en spraken de hoop uit, dat we elkaar nog eens weer zouden zien. Ook al was onze kloktijd al 35 jaar voorbij. Dat was verschrikkelijk, hartverscheurend, maar ook onomkeerbaar en onverbiddelijk.

Toen we even later de Q-parking uitreden, verklaarde mijn vrouw dat ze koud had.
‘Ja, ik zag het, het koelde snel af. Maar het was gezellig, toch?’
‘En een prachtige expositie,’ stelde ze vast.
‘Zeker, en dat boek ziet er geweldig uit,’ vulde ik aan. ‘Wat zou hij trots zijn.’
‘Maar nu gaan we eerst lekker uit eten,’ sprak ze resoluut.
Ondanks de bitterballen van Bert Looper had ik opeens trek.

Bekijk ook...

Bezoek

‘Wat doe je nou?’, vroeg ze toen ik de stofzuiger wegzette. ‘Ik ga me scheren,’ zei ik. ‘Ben je hier dan al geweest?’ ‘Hier liggen toch geen scherven?’

Tess en pake Herman

Tot meer tellen!

Met de kleine meid op schoot, terwijl zij een boterham oppeuzelde, nam ik een populairwetenschappelijk magazine door, waarin de werking van het heelal werd uitgelegd. ‘Kijk zo,’ zei ik. ‘Jij bent ons zonnetje …’ en terwijl ik stukje brood in een baan om haar hoofd bracht: ‘… en dit is een planeet.’

Wuivend riet, als je het ziet

Ben even weg ***

Omwille van de lieve vrede laat ik mij niet uit over dit geval van overmacht, of wat daarvoor door moest gaan, maar het lag niet aan mij dat ons uitstapje naar P. niet doorging. Omdat ik de hiervoor opgenomen ouwelullendag niet wilde verlummelen, stond ik toch om zeven uur op. In mijn halfslaap was een plan gerijpt, een doel, een missie.