Het Haringgenootschap

Op het programma stond een fikse wandeling, om de overdaad van de feestdagen te vertreden, althans van mijn kant. Mijn vriend de Psycholoog doet niet aan feestdagen en gezelligheid, maar loopt iedere dag tien kilometer tegen de verblabbering van zijn fysiek. Hij liep voor, want hij was bekend in de havenstad. Op onze route passeerden wij een viswinkel met de illustere naam Het Haringgenootschap.
‘Haringgenootschap!’, lachte ik, ‘ik zou trouwens best een visje lusten.’
‘Ik loop liever door,’ verklaarde mijn vriend streng en wijzigde meteen de koers.
‘Een ogenblikje,’ zei ik obstinaat, ‘heb je er bezwaar tegen als ik een broodje haring haal?’
‘Dat niet,’ zei hij, ‘maar we zouden pas om 4 uur aansteken.’
‘Mee eens,’ zei ik, ‘maar toen ik die naam uitsprak, liep het water in mijn mond. Hoe lossen we dat op?’
‘Nood breekt wet,’ sprak hij en we gingen naar binnen. Achter de vitrine stond een getaand vrouwtje en een lustig schoolmeisje. Klandizie was er niet, nou ja, ik dan. Ik plaatste mijn bestelling en denkend dat Genootschap wilde ik daaraan toevoegen …
‘Rustig,’ onderbrak mijn vriend mijn gedachten, ‘voor een zaterdagmiddag.’
‘De mensen zitten vol,’ zuchtte de vrouw, terwijl ze behendig mijn haring fileerde.
‘En dan al die goede voornemens …,’ babbelde hij voort.
‘Daar doe ik niet aan, hoor,’ zei het meisje vrolijk, terwijl ze mijn tientje wisselde.
‘Dat hoor ik graag,’ stelde mijn vriend tevreden vast.
‘Zoveel rook ik niet,’ lachte ze hupsig. ‘En als ik het nou lekker vind …’
Omwille van de vrouw – misschien haar moeder – waarschuwde ik haar niet, dat ze er precies zo’n uitgeteerde kop van zou krijgen, maar ze stemde me opeens toch melancholiek. Net als in The Long and Winding Road van the Beatles, dat begint met een prachtig slotakkoord. Mijn vriend bestudeerde een geplastificeerde poster met alle Noordzeevissen.
‘Meenemen, of hier opeten?’, vroeg het vrouwtje zonder op te kijken.
‘Meenemen,’ zei ik.

Buiten haalde ik het broodje uit het zakje. De gerenoveerde kade was nagenoeg schoongewaaid. Ook de beschutte terrassen met rokersverwarming waren leeg.
‘Lekker?’, vroeg mijn vriend met zijn hoofd diep in de kraag gestoken.
‘Hmm … begrijp je,’ vroeg ik met halfvolle mond, ‘dat ik opeens ontzettend veel trek in een sigaret heb?’
Zonder zijn pas in te houden legde hij een hand op mijn schouder.
‘… dank je, het is zo weer over, hoor,’ zei ik, ‘maar ik verlang nog meer naar een Genootschap waar ik bij zou kunnen horen.’

Toen wij om 5 over 4 bij een open haard aanschoven, opende mijn vriend zijn telefoon en zocht  Het Haringgenootschap op.
‘Gewoon een viswinkel,’ concludeerde hij, ‘er staat verder niets bij.’
‘Mijn vader,’ zei ik toen, ‘ging iedere vrijdagochtend om 11 uur een zoute haring kopen. Daar trof hij een groep oude mannen, met wie hij een praatje maakte. Toen hij overleed, kreeg mijn moeder een kaart van die haringboer met alle namen erop. Dat komt toch in de buurt? Of niet?’
‘Machtig mooi, man,’ sprak mijn vriend en hij snoot omstandig zijn neus.
‘Bedankt,’ zei ik en slikte iets weg.
Hij keek me vragend aan.
‘Voor je ontroering,’ zei ik. Toen wendde ik me tot de serveerster.

Bekijk ook...

Koos van de Sloot 1979

Kroniek van een vriendschap # 1

Mijn vriend Koos van der Sloot is niet meer, maar het eeuwig leven gaat door; in zijn nalaten-schap, in de herinneringen en verhalen, totdat ook wij – de vlamdragers – herinnering zijn ge-worden. Ik barst van de verhalen en wil er graag een aantal met jullie delen. Het begin van onze vriendschap, ruim 38 jaar geleden, was zowel markant en karakteristiek …

Het litteken van de dood

De eerste keer dat ik mijn vrouw sprak, was ze nog niet mijn vrouw. Tijdens een tussenuur zaten we in Rinke’s Koffiebar en bespraken ons eindexamen. Toen ik vertelde, dat ik Serpentina’s Petticoat van Wolkers had gelezen, zei ze: ‘Ik hou niet van Wolkers.’ ‘Ik ook niet,’ zei ik, maar zij had het als eerste gezegd en dat maakte indruk.

Rechts, links, troelala.

Ik keek verdwaasd naar een border, die ik geacht was te gaan wieden, want het was ook mijn tuin. ‘Hoe zie ik nu wat onkruid is?’ ‘Nou, die lelijke stengels …’ wees mijn vrouw. ‘En dit dan?’, vroeg ik en wees naar een plantje met mooie witte bloemetjes. ‘Eruit,’ zei ze rigoureus. ‘Maar hij bloeit!’ ‘Hij bloeit tussen mijn tegels.’