Inwendig onderzoek

Kwijt

‘Wat doe jij thuis?’, vroeg mijn vrouw, toen ik maandagmiddag om half één de woonkamer binnen stapte. Ze zat netjes aangekleed met een krant op de bank, dus liet ik de gespeelde verdenkingen van een geheime minnaar maar achterwege en kwam meteen ter zake.
‘Wij moeten praten,’ zei ik en ik nam plaats in de leren fauteuil.
‘Wacht,’ zei ze, ‘we hebben nog een restje soep en nog wat suikerbrood van het weekend.’

Toen ze eindelijk weer tegenover me zat, zei ik:
‘Ik ben mijn telefoon kwijt. Nou ja, niet kwijt, maar ik kan hem niet vinden.’
Zonder met een volle mond te praten, wees ze naar mijn Samsung.
‘Ik bedoel natuurlijk de telefoon van mijn werk. Ik heb van-morgen alles afgezocht, twee keer zelfs. Natuurlijk vind ik hem, zo’n ding kan niet kwijt zijn, daar is hij te groot voor. Maar ik moet even tegen je aanpraten.’
‘Wanneer heb je hem voor het laatst gezien?’
‘Vrijdag in de auto had ik hem in elk geval bij me. Bij Drachten heb ik gebeld, dat ik wat later thuiskwam …’
‘Klopt,’ zei ze met haar eigen telefoon open, ‘om 5 over 6. Het duurde maar 19 seconden!’
‘Hij was toen al bijna leeg.’
‘Dus bellen helpt ook niet.’
‘Heb ik al geprobeerd, maar ik kreeg meteen de voicemail. Mag ik nu even?’
‘Tuurlijk.’

Het spoor terug

‘Als ik thuiskom, steek ik hem altijd in mijn jasje – een jasje – aan de kapstok. Of hij zit nog in mijn broekzak. Zodra ik hem voel, breng ik hem naar de kapstok … of ik leg hem ergens neer. Maar dan kom ik hem later weer tegen en breng hem alsnog naar de kapstok. Altijd.’
‘Heb je …?’
‘Ik heb alle jassen nagevoeld, twee keer. Zelfs jouw winterjas.’
‘Hangt mijn winterjas nog beneden?’
‘Ik heb natuurlijk ook op alle neerlegplekjes gekeken. Ik heb zelfs bij mijn kleren van vrijdag gekeken …’
‘Die zitten in de wasmachine,’ zei mijn vrouw.
‘… maar vanochtend nog niet. Zat hij niet in. Ik heb op hele rare plekken gekeken.’
‘In de koelkast?’
Dat was grappig bedoeld. God, wat had ik laatst ook weer in de koelkast gelegd? … nee, niet de eerste voortekenen van jeweetwel. Ik ben wel eens wat verstrooid. Als kind was ik dat al.
‘Nienke was hier vrijdag,’ zei ik, ‘dat was anders.’
‘We hebben zelfgemaakte pizza gegeten.’
‘Ja, maar kan zij hem per ongeluk in haar tas hebben gedaan?’
‘Dat … dat kan ik me niet voorstellen,’ zei mijn vrouw, ‘zij heeft een rooie met zo’n hoesje. Ben je nog in de garage geweest voor een schroevendraaier? Laatst lag je bril daar in het zaagsel.’
Meteen speerde ik naar de garage.
Toen ik onverrichterzake terugkwam, hoorde ik: ‘Hebbes!’

Inwendig onderzoek

Mijn vrouw had haar hand diep tussen de zitting en de armleuning van de leren fauteuil gestoken.
‘Ik voel iets hards,’ zei ze. Na wat gewurm kwam mijn telefoon tevoorschijn.
Ik prees haar omstandig en verklaarde wederom, hoeveel geluk ik had gehad, dat ik haar op die datingsite had gevonden.
‘Ik heb jou gevonden,’ zei ze neutraal.
‘Jawel, maar jij was de enige, die ik niet heb weggegooid,’ wierp ik tegen. ‘Maakt niet uit. Ik ben blij met jou. En …’

Op dat moment gleed ik in een mentale spagaat. Ik wilde een bijdehante opmerking maken, zo van: zie je wel, ik vind altijd terug wat ik kwijt ben. Maar eigenlijk was daar helemaal geen redelijke grond voor. Als man had ik die stoel nooit aan een inwendig onderzoek onderworpen. Voor hetzelfde geld had die telefoon daar tot mijn pensioen gelegen. Zo’n ding kan dus wel degelijk kwijt zijn! Ik had een fundamentele inschattingsfout gemaakt!
Zwijgend hing ik het apparaat aan de beademing en gooide het gesprek over haar boeg. De tuin, de kleinkinderen en de zonnige kant van het leven in het algemeen. Maar bij de eerste stilte dacht ik weer: Wat moet ik nu voelen? Trots op mezelf, of angst voor mezelf?
Precies die vraag legde ik, met een verslag van de aanleiding, voor aan mijn vriend de psycholoog.
‘Ik moet weer naar Sneek,’ zei ik toen.
‘Je telefoon …’
‘O ja,’ lachte ik. Goed, ik vergeet wel vaker mijn telefoon, maar kwijt is toch iets anders.

De waarheid

In de auto dacht ik terug aan een dierbare collega, die ik mis. Voor een sollicitatiebrief vroeg ze mij drie sterke en drie zwakke punten van haar op papier te zetten. Ik voelde me daar ongemakkelijk bij, ik wilde me niet boven haar plaatsen, dus antwoordde ik:
‘Dat wil ik wel doen, als jij dat ook voor mij doet. Lezen, slikken en niet over praten, oké?’
Enfin, ik kan het iedereen aanraden. Zeer verhelderend. Bij mijn zwakke punten stond dat ik chaotisch ben (althans zo lijkt het, schreef ze) en dat ik slordig ben (maar dat had ook wel voordelen, voegde ze eraan toe). Ik had bij haar als zwak punt opgeschreven, dat ze altijd aardig wilde zijn. Maar ondanks de nuances en het feit dat ze volkomen gelijk had, deed het zo zwart op wit toch wel een beetje au.

Mijn bureau is inderdaad een puinhoop, maar alleen geordende mensen kunnen zich dat veroorloven, zeg ik altijd. En ik maak regelmatig fouten, maar door geluk of goddelijke interventie leidt dat nooit tot rampen. Tot nu toe! Afkloppen!
Ik heb eens een mail doorgestuurd, waarin de ontvanger in de geschiedenis van die mail voor ‘Pipo’ en ‘Oelewapper’ werd uitgemaakt.
‘Jezus!’, riep ik, toen ik het me realiseerde. Toen viel hij zomaar weer terug in mijn mailbox. Ik was een punt vergeten in het email-adres. Van die dingen dus.
Het is gewoon onmogelijk om jezelf te kennen.

Die avond voor de tv las ik het antwoord van mijn vriend de psycholoog:
Volgens mij is er geen aanleiding om trots of bang te zijn. Jij bent nu eenmaal geniaal, dus heb je onder iedere tekortkoming een ingebouwd vangnet van wantrouwen, controle en routine gehangen. En je hebt mensen om je heen verzameld, die de hand op de juiste plek leggen, als dat nodig is. Dat is niet een mening. Dat is een feit.
‘Wat schrijft hij?’ vroeg mijn vrouw.
‘O, niets bijzonders,’ zei ik ontwijkend, en toen, ‘nou ja, dat we vrienden zijn.’
‘Wat gek. Schrijft hij dat?’
‘Nee,’ zei ik, ‘maar dat staat er wel.’

Bekijk ook...

Bezoek

‘Wat doe je nou?’, vroeg ze toen ik de stofzuiger wegzette. ‘Ik ga me scheren,’ zei ik. ‘Ben je hier dan al geweest?’ ‘Hier liggen toch geen scherven?’

Allemaal naar buiten voor de foto ...

Mijn neef Koen

Tijdens een familiegebeuren sprak ik weer eens neef Koen, voor wie ik al sinds zijn geboorte een zwak koester. Als kind kwam hij vaak logeren, maar sinds hij in Groningen woont, zie ik hem nog zelden. Hij was mager geworden en droeg een bril. Door het toeval gestuurd stonden wij naast elkaar in de keuken, ik in de weer met de prinsessenbonen, hij met de uien. ‘Hé Koen, hoe gaat het?’, vroeg ik, toen ik een traan over zijn wang zag biggelen.

Wuivend riet, als je het ziet

Ben even weg ***

Omwille van de lieve vrede laat ik mij niet uit over dit geval van overmacht, of wat daarvoor door moest gaan, maar het lag niet aan mij dat ons uitstapje naar P. niet doorging. Omdat ik de hiervoor opgenomen ouwelullendag niet wilde verlummelen, stond ik toch om zeven uur op. In mijn halfslaap was een plan gerijpt, een doel, een missie.