Jan Prakje

De opbrengst van toiletbezoek

Terwijl ik in alle vroegte mijn schoenen, die ik gisteren onder een tafeltje had geschoven, weer aantrok en een veter brak, kwam er – bliep – een Whatsapp-bericht binnen. Het was mijn vriend de Psycholoog, die om 6.46 schreef: Op mijn WC lees ik ‘Onze Lieve Vrouwe van de Schemering’ een bundel essays van Willem Jan Otten. Ik denk tijdens het lezen vaak aan jou. Ben zo vrij en uitspraak van WJO te parafraseren: “Dankzij het verhaal wordt mijn leven reëel.”
Ik kon de strekking van het citaat niet onmiddellijk omvatten, dus ging ik op zoek naar nieuwe veters. Toen ik ze niet vond – ik kan niet zoeken – prutste ik de resterende veter met wat spuug maar weer door de laatste gaatjes. Toen antwoordde ik: Ik sta op het punt af te reizen naar mijn werk, maar misschien is het wel mijn levensmotto met terugwerkende kracht.
Daarop trok ik mijn jas aan, stak mijn lunch bij me en ging op pad. In stilte, met de ruitenwisser in de intervalstand, overdacht ik het leesgedrag van mijn vriend en de betekenis van de verhalen, waaraan al mijn herinneringen en mijn begrip voor de wereld is opgehangen.

Het was aardedonker op de oude Rijksweg 43 naar Sneek, er was verder niemand behalve af en toe twee koplampen. De veter zat alweer los. Toen moest ik denken aan Jan Prakje.

Jan Prakje

Toen ik nog naar school fietste, kwam ik hem onder weg naar Sneek wel eens tegen. Het hoofd diep gebogen en aan het uiteinde van iedere arm een tas met daarin zijn bezit en zijn handel. Mijn vader had weleens verteld dat de Gemeente hem een huis en een uitkering had aangeboden, maar dat hij uit vrije wil koos voor het leven van een schobbejak, het hooi van een boer en een overgebleven prak van het middagmaal. In mijn vrome kinderjaren sloot ik zelfs niet uit, dat hij een Heilige was, want Jezus was toch ook een zwerver? Die ventte verhalen, Jan Prakje veters.
Soms, als hij aanbelde, moest ik naar de deur om te zeggen, dat mijn moeder niet thuis was. Voor een jongen die openlijk pastoor wilde worden, met een heimelijke optie tot paus, was dit een duivels dilemma. Laf koos ik voor mijn moeder, anders moest ik misschien wel zonder eten naar bed, maar had ik nu wel mooi in Rome gewoond, met op iedere knie een non. Gelukkig geloofden zijn droeve ogen me niet, maar hij schikte zich niettemin in zijn lot, nam zijn tassen op en vertrok.

Het Fries Koffiehuis

Jaren later kwam hij opeens weer ter sprake, tijdens mijn wekelijkse bezoek aan Het Fries Koffiehuis aan het Ruiters-kwartier, veilige haven voor vertwijfelde zielen. Mensen met verhalen. Ik voelde me daar thuis. Op een dag ontmoette ik daar Tjitske de Jong, zus van Douwe Hiep, met wie ik nog nooit een woord had gewisseld, maar ze moest een verhaal kwijt. Als een ware biechtvader vergat ik haar leed meteen weer. We dronken bier en dreven af naar Joure, waar we beide waren geboren en getogen, tot Jan Prakje plotseling door ons beeld wandelde.
Tot tranen toe geroerd, vertelde ze hoe ze hem in verpleeghuis De Flecke had verzorgd. Het was zo’n lieve dankbare man, zei ze, die nooit klaagde en verder ook bijna niets zei. Zodra hij aan de beterende hand was, vertelde ze, wandelde hij eindeloze rondjes in de binnentuin van het verzorgingstehuis. Tot hij op een dag vertrok, om nooit weer te worden gezien. Voor mijn geestesoog zag ik hem onbelast langs de eeuwige paden wandelen, naar een einder waar in iedere hooiberg een warme prak op hem wachtte. Dat was een troostrijke gedachte.
Toen mijn goede vriend Koos van der Sloot vier jaar geleden enkele maanden in het UMCG verbleef, dacht ik dat hij van dit verhaal wel zou opknappen en schreef het op. Ter illustratie zocht ik een foto via Google en las toen op een blog, dat Jan Prakje in 1974 was gestorven in De Flecke. Bij nadere beschouwing realiseerde ik me, dat Tsjitske die middag in een verdrietige stemming was en de tafel behoorlijk vol stond te staan met bruine flesjes. Misschien waren het toch tranen van haar eigen verdriet, die een uitweg zochten.

Misschien hield zij ook wel net als ik van een goed verhaal.

Bekijk ook...

Dit is een brief

Twee bier en een appje

‘Het probleem is, dat ze tegenwoordig geen brieven meer schrijven,’ legde mijn vriend de Schoolmeester op gezaghebbende toon uit. De aanleiding was een artikel over de tanende verbale vaardigheden onder studenten. ‘Ze komen niet meer uit hun woorden. Dat is het probleem.’ ‘Misschien heb je gelijk,’ antwoordde ik, ‘maar je houdt de vooruitgang nu eenmaal niet tegen.’

De fiets van oom Anton

‘Oom Anton heeft een fiets gekocht,’ zei mijn neef Koen. Afgezien van het feit dat het bestaan van een oom Anton mij tot op dat moment was ontgaan, trof mij vooral zijn guitige lach die een sterk verhaal deed vermoeden.

Ik was nog een snotneus.

Stiekem, bij de jassen

‘Ik kom voor de receptie,’ zei ik tegen een zwart bejurkte dame in de hal. ‘Trap op, linksaf, dan ziet u het vanzelf,’ zong ze routineus. Nog voor ik een kop koffie met oranjekoek in de handen kreeg gedrukt, zag ik Annie staan. Ik had toevallig gehoord dat ze er waarschijnlijk ook zou zijn, anders had ik mijn vroegere buurmeisje beslist niet herkend. Pas na de mooie woorden voor de pensionado liep ik haar toevallig tegen het lijf.