Kroniek van een vriendschap # 2

Toen ik voor mijn uitvaartrede voor Koos van der Sloot de weg van onze vriendschap terug volgde tot voor het begin, realiseerde ik mij steeds meer hoe vreemd het was dat wij ooit vrienden werden. Achteraf beschouwd is het zelfs een wonderlijke speling van het lot, twee loten om precies te zijn. Ik ben niet iemand die in alle ernst in de sterren gelooft, en Koos al helemaal niet, maar ik denk dat het moment van onze ontmoeting precies op het juiste moment kwam.

In veel opzichten waren wij totaal verschillend. Ik moet dus wel aannemen, dat wij elkaar aanvulden en een leemte bij elkaar invulden. Natuurlijk hadden we ook wel dingen gemeen, maar die zijn niet interessant.

Ik ben een geboren twijfelaar en heb last van faalangst. Koos is een aanpakker en hij heeft lef. Daar had ik in september 1979 behoefte aan, toen ik een tijdschrift van de grond probeerde te tillen. Wat hij ooit in mij heeft gezien, ben ik hem vergeten te vragen. Ik denk dat hij in 1979 iemand nodig had, bij wie hij kon aanhaken.

 

JOURE

Op maandag 19 oktober 1959 werd ik door mijn moeder, die ieder moment kon bevallen van Leo, afgeleverd bij de nonnen van kleuterschool Pius X, die na de invoering van de basisschool werd gesloopt. Tegenwoordig staat en een appartementengebouw, waar mijn moeder woont. In die tijd liepen de nonnen nog in zwarte gewaden met grote kappen.

‘Kun je het huis straks vinden?’, vroeg mijn moeder. ‘Anders loop je maar met die jongens mee, die wonen bij ons in de straat.’ Ik ben nooit verdwaald. Het was hekkie uit, rechtaf, Pastorielaan over, Achterom uit, linksaf en thuis was ik. In de pauze bleef ik bij de zandbak, want aan de overkant van het grasveld voetbalden de grote jongens, waar ik een beetje bang voor was. Daar moet Koosje van de Sloot ook bij zijn geweest. Ons contact is dus eigenlijk begonnen, doordat ik erin slaagde hem te ontlopen. Hij was zich daar niet van bewust, want kleinere kinderen daar keek je niet naar.

Tegenover de Pius X was de Bonifatius, onze lagere school. Daar kwamen we niet in elkaars vaarwater. De kleintjes hadden een eigen schoolplein. En toen ik doorstroomde, zat Koos al op de nieuwe Willibrordus. Later vertelde hij, dat hij dit als een deportatie had ervaren, en dat hij Frater Eugenio haatte. Maar ik denk, dat hij met onze hoofdmeester Verhoeven evengoed problemen had gekregen. Hij had toen al een allergie voor gezag. Ik kon juist goed overweg met het gezag.

 

FOLKERT EN ROB

Koos was thuis bijna de jongste en vrijgevochten. Ik was thuis de oudste en introvert. Toen ik op mijn 17e met mijn vriend Willem naar de kroeg ging, hield ik mij vooral op met een groep blowende hippies, die geen vlieg kwaad deden. Jethro, Appel, Teuntje, Monk. Allemaal bijnamen. Er waren maar twee kroegen waar de jeugd kwam, dus kwam ik Koos ook wel eens tegen. Hij had in die tijd het langste haar van Joure. En de donkere ogen, die ik van vroeger kende, boorden inmiddels met gemak een gat in een bierviltje. Koos hoorde bij de Wildebeesten. Later vertelde hij vaak over Klaas Zijlstra, met wie hij zondagmiddag naar een dancing in Delfstrahuizen reed. Klaas kende ik nog van mijn vakantiewerk. Ik zag hem eens een vlieg doodslaan met de tekst: ‘Zo, die neukt nooit weer …’ Klaas was doelgericht bij de meisjes. Hij stond gewoon in de weg en greep iedere vrouw, die langs kwam, in haar kruis en vroeg dan of ze wilde neuken. Soms kreeg hij een klap, maar hij had ook geregeld beet. Koos vertelde altijd over Klaas en over Douwe Hiep, nooit over zijn eigen misdragingen, maar achteraf geneerde hij zich er wel voor.

In de jaren 80 zat hij eens bij ons thuis, toen een vriendin langs kwam. Die kwam uit Heerenveen en herkende Koos nog van vroeger. Zij glom, maar Koos deed of hij niets meer wist en poetste de plaat. Zij kwam uit de verhalen, die hij liever vergat.

 

PSYCHEDELICA

Vreemd genoeg heb ik eens met Koos in één tent gelegen, dat wil zeggen, Koos lag binnen en ik lag onder de luifel. Met Willem was ik naar de Sneekweek gelift, omdat CCC incorporated (met onder andere Ernst Jansz) in de Amicitia speelde. Op een veldje achter de oude Manege stonden een paar tenten, waar we volgens Willem wel konden pitten. Aan een meisje uit Joure hadden we gevraagd of er nog plaats was. ‘Onder de luifel nog wel, …. denk ik.’

Het was een vreemde nacht, met vreemde sterren en vreemde nachtgeluiden. Ik was klaarwakker. Willem en ik hadden een LSD trip gedeeld en een paar joints gerookt. Ik dacht eerst dat ik er niets van merkte, maar ik was ervan overtuigd, dat we in de stad Obelix waren tegengekomen in zo’n grote streepjebroek. Hij trok zijn gulp open en piste over een jongen heen, die in slaap was gevallen. Weird.

Toen de Witz het veldje op kwam – het was zijn tent – hield ik me dood. Hij stapte over me heen, trok de rits omhoog en gromde: ‘Koos, ga eens aan de kant.’

‘Sodemieter op,’ hoorde ik binnen, ‘die paal zit me in de weg.’ Koos van der Sloot, dacht ik meteen. Ik had hem niet bij de Amicitia gezien.

‘Dan leg je ’m toch in je andere broekspijp,’ zei de Witz. Altijd een grapje dat paste. Toen het licht werd, rolde ik mijn slaapzak op en liep naar de bushalte. Thuis moest ik nog pakken voor een fietsvakantie langs jeugdherbergen, die ik een jaar eerder al had afgesproken. Onder mijn vrienden van vroeger voelde ik me plotseling een vreemdeling. Maar het was wel prettig fris en ongecompliceerd.

 

FAMILIE

Vlak voor de kerst van 1973 stonden Loes van der Sloot en José Huisman op een avond op de stoep. Willem was verongelukt. Of ik ook meedeed met de advertentie. Mijn ene vriend was dood, en mijn andere vriend lag in coma en moest later de bak in. De meisjes waren lief en warm en we werden vrienden. Zo kwam het dus dat ik zes jaar later een verhaal van Koos onder ogen kreeg en op de bruiloft van zijn zus aanwezig was.

Koos had zijn borende ogen die avond thuisgelaten. En hij had zijn lange haar tot een modieuze kuif laten knippen. En ik had door mijn nieuwe liefde voldoende zelfvertrouwen verworven, om een tijdschrift op te richten en Koos van der Sloot direct aan te spreken. Het was een mooie avond. Zijn vader zong met een prachtige bevende stem: Aan de muur van het oude kerkhof. De herinnering ontroert me nog steeds. Niemand wist toen dat Koos in 2018 precies zo’n kaal knikkertje zou overhebben als zijn vader. Die haviksblik had hij van zijn moeder. Dat zag ik pas tien jaar geleden, toen ze eens met me mee liftte naar Joure.  

Koos van der Sloot heeft dus genen van zijn vader en zijn moeder, maar daar heeft hij een hele bijzondere cocktail van gemaakt. In 1979 vulde hij bij mij een leemte, die hij heeft achtergelaten toen hij vertrok. Ik zal daar iets voor moeten vinden.

 

Wordt vervolgd

Bekijk ook...

De Rappe Krentenbol

Na een grimmige vergadering moest ik wat stoom kwijt. Omdat het mooi weer was en ik mijn brood was vergeten, besloot ik naar de Lidl aan de Oude Oppenhuizerweg te lopen, voor een zak snelle krentenbollen. Halverwege op een parkeerterrein haalde een man een voorwiel uit zijn Renault en vervolgens de rest van een racefiets. Toen wierp hij zijn stropdas op de achter-bank, trok zijn overhemd uit en liet ook zijn kantoorbroek zakken.

Rook

Een oude man met een ijsmuts diep over zijn oren getrokken bleef staan voor de deur van het sigarenmagazijn. Hij trok een zakdoek tevoorschijn, trad naar binnen en snoot zijn neus. De detaillist met krul-snor veerde op achter zijn toonbank, en liep de klant met voorzichtige pasjes en een uitgestoken hand tegemoet.

(misschien mijn) Nancy Hewitt

Dear Nancy

Op zaterdagnacht 24 september 1983 was iedereen in café het Hert wel zo’n beetje nat, want het was Jouster Merke, lalalalala … maar niet ik. Want elf tijdzones verderop vloog een sportwagen met gierende band van het asfalt en miste op een halve meter na een kolossale eik.