Liefde in tijden van Corona

Vijandig terrein

Het was vreemd. Na drie dagen thuis werken leek het kantoor anders. Was het de kleur van het metselwerk? Of de kleur van de wolken? In het grijs meende ik een violette ondertoon te herkennen. Er stonden minder auto’s dan anders en op de tweede brandde nog geen licht. Ik was bovendien vergeten brood te smeren, nou nee, niet vergeten. Ik hoopte voor twaalven weer weg te zijn. Bij de receptie zat nog niemand en onderweg naar boven miste ik de multiculturele vriendelijkheid van de schoonmaaksters. In de groepsapp had ik gelezen dat het nieuwe schoonmaakbedrijf pas na vijven kwam. Jammer.
Pas toen ik de laptop wilde aansluiten aarzelde ik even. Ach, wat kan me gebeuren?, dacht ik toen. We hadden vaste werkplekken, dus niemand had die stekkers aangeraakt. Bovendien gaan de meeste mensen er niet dood aan. Daar kwam nog bij, bedacht ik terwijl ik opstartte, dat ik als kind, staande aan de baar van mijn oom Theo, had besloten dat ik niet bang was voor de dood. Hij was misschien dood maar niet weg. Ik had tenslotte na ruim vijftig jaar alweer zijn naam opgeschreven. En zelfs nadat mijn kinderlijke geloof in een hemel was verdampt, hield mijn besluit stand. Dat was een troost, al had ik natuurlijk geen haast.
Ik zag dat de planning nog niet in mijn mailbox zat. 7 uur 39. Hmm.
Ooit zou het land ontdooien en zouden we naar de kinderen en de kleinkinderen kunnen reizen en hen ongehinderd zoenen en omhelzen, zoals vroeger, twee weken geleden. Hoesten in het openbaar zal dan misschien nog als baldadigheid worden beschouwd.

Tjerk was online, zag ik. Ik ging eerst pissen en waste daarna grondig mijn handen. Zouden ze andere zeep in de dispenser hebben gedaan? Hij rook hetzelfde. Daarna liep ik handsfree de trap af. Op het bordes week ik naar de balustrade om collega Henk ademloos te laten passeren.
‘Hé Herman, ik dacht dat jij ook thuis werkte,’ lachte hij, maar ik zag in zijn ogen dat hij van zichzelf schrok. Zes treden verderop draaide hij zich om. Ik vertelde dat ik met Tjerk had afgesproken. De inschrijving voor de school in Lelystad moest voor twaalven de deur uit.

Tijd

Alleen in het noodtrappenhuis bij de onderhoudsdienst, waar ik weer één omhoog moest, kwam ik tweemaal een deurkruk tegen, maar met mijn pols trok ik hem moeiteloos door de weerstand van de dranger heen.
‘Gabe ziek?’, vroeg ik aan Tjerk.
‘Nee, die werkt thuis. De kinderen. Zijn vrouw werkt in het ziekenhuis.’
Ik zeeg neer op de stoel van Gabe. Twee bureaus dus twee meter verderop vouwde Tjerk een grote planning open.
‘Vertel maar gewoon,’ zei ik.
Zijn conclusie was dat het Godsonmogelijk was om voor 1 juli 2021 op te leveren. Ik bevroeg hem zo zakelijk mogelijk, maar ik kon mijn teleurstelling niet verbergen. De circulaire school in Lelystad was een ambitieus project, waar ik mijn zinnen op had gezet. Misschien het laatste project dat ik voor mijn pensioen helemaal zou kunnen afronden. Maar als de planning drie maand doorliep kostte dat bij de beoordeling van de inschrijving dure punten, en bovendien zou de begroting oplopen, waardoor we waarschijnlijk boven budget uitkwamen.
‘Stel,’ zei ik toen, ‘dat een concurrent wel op tijd oplevert. Hoe doet hij dat dan?’
‘Ik zou het echt niet weten,’ zuchtte Tjerk. ‘Ik kan die planning natuurlijk wel fucken, maar als we het werk binnen halen moeten we het ook waarmaken.’
‘Dus jij zegt, als een concurrent wel op tijd oplevert – op papier – dan deugt zijn planning niet en gaat hij later gewoon de strijd aan om onder die boete uit te komen?’
‘Ja, of jij moet het beter weten … kijk,’ hij wilde naar me toe lopen, maar bedacht zich.
‘Nee nee,’ zei ik meteen, ‘als jij zegt dat het niet kan, dan kan het niet. Het is alleen erg jammer.’
‘Zeg jij maar wat ik moet doen,’ zei Tjerk. Hij dook weg achter zijn beeldscherm en nieste.
‘Gezondheid,’ zei ik.
‘Dank je.’
‘Wij gaan de kluit niet belazeren,’ zei ik beslist. ‘Dat is niet onze stijl. Stuur maar naar mij in pdf. Ik praat wel even met Kees.’

Geld

Kees zat niet op zijn plek. Ik vond hem op de calculatieafdeling, naast Jeroen. Ze keken samen op hetzelfde beeldscherm op minder dan anderhalve meter van elkaar.
‘Ligt op mijn bureau,’ riep hij zonder op te kijken.
Ik bleef staan tot hij opkeek. Toen legde ik hem het plannings-probleem uit. Hij zuchtte diep, gaf Jeroen een paar instructies en liep naar zijn kantoor. Ik volgde op afstand. Toen hij op zijn plek zat bleef ik in de deuropening staan. Hij opende het begrotings-programma.
‘Ik heb hier 12 maand uitvoering staan,’ zei Kees.
‘Maak daar maar 15 van,’ zei ik.
‘Mag ik er even langs?’, fluisterde iemand achter me.
Jeroen hield netjes afstand. Ik liep door en nestelde me in de vensterbank.
‘En wat was de boete?’, vroeg Kees.
Jeroen griste een stapeltje documenten van de kast en verdween weer.
‘1500 per dag,’ zei ik.
‘Per werkdag?’
‘Per kalenderdag.’
Hij zuchtte weer diep en keek opeens naar buiten.
‘Je gaat over het budget,’ concludeerde ik, ‘ik snap het, maar als Tjerk zegt …’
‘Die begroting kan me geen flikker schelen,’ zei hij op een andere toon, ‘maar het ouwe mens is morgen jarig. En nu mag er van Rutte niemand meer naar binnen. Dat mensje kan al niet meer lopen. En ze ziet slecht. Ze heeft alleen maar de radio. Ze kan niks en ze mag niks. Ze mag zelfs niet eens dood! Hiep hiep hoera. Zo is er toch helemaal niets meer aan …?’

Liefde

Thuis riep ik Joehoe! Er kwam geen antwoord. Ik liep door naar de woonkamer. Daar zat mijn vrouw op de bank, nog in haar gemakkelijk kleren. Ik liep op haar af, maar ze weerde me af.
‘Wat heb je vandaag gedaan?’, vroeg ze achterdochtig.
‘Ik ben gewoon op kantoor geweest,’ zei ik. Dat wist ze toch?
‘Ik vind het maar niets, dat jij daar allerlei mensen ziet. Jij bent nergens bang voor en ik …’
‘Lieve schat,’ zei ik, ‘juist omdat ik zo voorzichtig ben, hoef ik niet bang te zijn …’ en ik stak een overdreven verhaal af, waarmee ik haar wilde overtuigen dat ik beslist geen enkel risico had genomen. Vervolgens liep ik naar het aanrecht, ik waste mijn handen met desinfecterende zeep en toen ook nog mijn gezicht bij wijze van humor.
‘Had je brood mee?’
‘Nee, ik heb wat bij de pomp gehaald, daar verkopen ze nog broodjes. Je kunt alleen nog pinnen.’
Ik droogde mijn handen af en kwam weer voor haar staan.
‘En wil je me nu alsjeblieft zoenen!?’
Ze stond op en liet haar weerstand varen. Na de eerste versmelting keek ze me van heel dichtbij aan, beurtelings in mijn linker en rechter oog.
‘Je proeft naar zeep,’ zei ze zacht met een bah gezicht. Ik benam haar onmiddellijk weer de adem.
Als zij het krijgt, wil ik het ook hebben, dacht ik. Dat is liefde in tijden van Corona.

Bekijk ook...

Wuivend riet, als je het ziet

Ben even weg ***

Omwille van de lieve vrede laat ik mij niet uit over dit geval van overmacht, of wat daarvoor door moest gaan, maar het lag niet aan mij dat ons uitstapje naar P. niet doorging. Omdat ik de hiervoor opgenomen ouwelullendag niet wilde verlummelen, stond ik toch om zeven uur op. In mijn halfslaap was een plan gerijpt, een doel, een missie.

De Koffiehûs Blues

Toen ik in de krant zag, dat Het Friesch Koffiehuis in Leeuwarden wordt gesloopt, ging ik even koppie onder in een branding van weemoed. In het bijschrift las ik dat het leegstaande pand ‘een rotte kies’ was, die voor 2018 Culturele Hoofdstad getrokken moest worden. Nou, ik kan u verzekeren, in de ogen van het establishment was Het Friesch Koffiehuis in de jaren tachtig een bek vol rotte kiezen. Juist daarom kwam ik er zo graag.

De kleur van Liefde

‘Kan ik u helpen?’, vroeg het bloemenvrouwtje. ‘Misschien,’ zei ik, ‘waar staan de gele boeketten?’ ‘Geel! Dat is grappig,’ riep ze olijk. ‘Niemand vraagt om geel.’