Match Fixing (1968)

In het schoolelftal

De jaarlijkse voetbalwedstrijd van de Bonifatiusschool tegen de Openbaren zou plaatsvinden op een echt voetbalveld van Sportclub Joure onder leiding van onze gymleraar van der Meer. Wij minachtten van der Meer, want hij spuugde bij het praten, dus noemden we hem heimelijk Flieber. Bovendien was hij gemeen en zelf Openbaar, dus floot hij vast tegen ons. Jopie was onbetwist de beste voetballer van de school, dus hij bepaalde wie erin zat. Ik was rechtsback en volgens Jopie de beste van het team (behalve hijzelf natuurlijk). Na schooltijd gingen we onder zijn leiding trainen op de Pikestjelp. Daar had ik geen bezwaar tegen, maar daarom hoefde hij nog niet zo te schreeuwen, want een aanvoerder is niet de baas. Toen ik dat tegen hem zei, begon hij nog harder te schreeuwen. Toen hij op de dag voor de wedstrijd sukkel tegen me zei, ook al meende hij niet, pakte ik mijn trui uit het doel en ging ik naar huis.
‘Zoek maar een ander,’ zei ik.

De volgende ochtend moest ik al om 7 uur een mis dienen in de kerk. Toen ik met een brandschone ziel vol Latijnse wonderspreuken onze Hobbe van Baerdtstraat inliep, zag ik haar bij de lantaarnpaal staan. De moeder van Jopie. Ze wenkte me. Ik hield een veilige afstand, al wist ik niet wat ik verkeerd had gedaan, maar ze sloeg niet. Ze zei dat Jopie de hele nacht niet had geslapen, omdat hij beslist van de Openbaren wilde winnen, en dat kon niet zonder mij. En toen vroeg ze of ik alsjeblieft toch wilde meedoen,
‘Oké,’ zei ik, want ik durfde niet Neu te zeggen. Toen ging ik naar binnen, om voor schooltijd nog een boterham te eten.
‘Wat wilde de moeder van Jopie van jou?’, vroeg mijn moeder.
‘Ze vroeg ik vanmiddag toch meedoe.’
‘Waarmee?’
‘Het schoolelftal,’ zei ik, ‘tegen de Openbaren.’
‘Moet je dan je voetbalshirt aan hebben?’, vroeg ze.
‘Neu,’ zei ik. Ik zette het bordje weg en ging naar school. Daarmee was de ruzie, waar mijn moeder geen weet van had, bijgelegd. Jopie lachte weer en sloeg een arm om mijn schouder. Baas spelen was onverdraaglijk, maar ze had tweemaal alsjeblieft gezegd.

Zeiken

Jopie haalde me op en samen liepen we door de bosjes naar de Blauwhoflaan. Bij de kleedhokken stonden al een paar te wachten. Flieber was er ook en naast hem stond Wim de Wespenvreter. Wim moest ook meedoen, zei Flieber, maar dat wilden we niet. Hij kon er niets van en Jopie zei dat wij zelf mochten weten, wie erin stond. Dan maar in de tweede helft, snauwde die NSB-er, met zo’n stuk spuug dat hij Jopie bijna raakte.
‘Gatver,’ zei Theo achter me.
Wij stelden ons op en trapten af. Ik veegde achterin de boel schoon en leverde de bal in bij Jopie, die op het middenveld speelde. Die speelde gemakkelijk drie Openbaren uit en zette Tjitte voor het doel … maar elke keer floot die vuilak voor buitenspel! Die vent was hartstikke partijdig, maar één keer floot hij niet en toen lag hij erin. 1-0!
Met de rust begon die Wespenvreter weer te slijmen bij Flieber, dat hij ook mee moest doen. Maar Jopie weigerde er één uit te halen. Toen haalde die vuilak mij eruit! Jopie was woest, en schreeuwde dat het gemeen was! Het was woensdagmiddag, dus hij had er niets over te vertellen! Zo konden we natuurlijk nooit winnen. Toen we weer moesten beginnen, liep ik ook mee, maar toen werd Flieber echt kwaad.
‘Kom mee,’ zei Jopie tot mijn verbazing. Hij ging er ook uit en zei tegen de anderen dat ze ook moesten komen, maar die durfden niet. Achter de kleedhokken stond de fiets van Flieber met van die grote bruine fietstassen. We deden de klep open en pisten erin, zo lang we konden. En toen spuugden we op het zadel.
‘Wat zullen we doen?’, vroeg ik toen.
‘Naar mijn huis?’
‘Oké.’

Van Jopie z’n moeder kregen we Exota en een koekje. Zij vond het ook gemeen en zei, dat ze het tegen Verhoeven, het Schoolhoofd, zou zeggen. Daarna gingen we naar mijn huis. We zeiden dat we nog geen ranja hadden gehad, en dat was ook zo, dus kregen we weer drinken en een koekje. Maar toen ik mijn moeder vertelde, hoe gemeen het was, zei ze:
‘Ach, het is maar een spelletje. Ga nu maar mooi buiten spelen.’

 

Dit verhaal is eerder gepubliceerd in de verhalenbundel De Juiste Dosis ©2013

Bekijk ook...

De lach van de muze, de hand van de meester en het woord van de Reporter (foto: Horusta Freije)

Terug naar het EI

‘Hoe was de opening?’, vroeg mij vrouw, toen ik zondag thuiskwam. Ik kwam uit Galerie Het Melklokaal te Heerenveen, waar Jan Snijder en mijn vriend en beeldend kunstenaar Koos van der Sloot werden geëxposeerd. Ik zei naar waarheid dat het gezellig was, want als er meer mensen dan kunstwerken in een ruimte zijn, moet de kunst het nu eenmaal ontgelden.

Rechts, links, troelala.

Ik keek verdwaasd naar een border, die ik geacht was te gaan wieden, want het was ook mijn tuin. ‘Hoe zie ik nu wat onkruid is?’ ‘Nou, die lelijke stengels …’ wees mijn vrouw. ‘En dit dan?’, vroeg ik en wees naar een plantje met mooie witte bloemetjes. ‘Eruit,’ zei ze rigoureus. ‘Maar hij bloeit!’ ‘Hij bloeit tussen mijn tegels.’

De Koffiehûs Blues

Toen ik in de krant zag, dat Het Friesch Koffiehuis in Leeuwarden wordt gesloopt, ging ik even koppie onder in een branding van weemoed. In het bijschrift las ik dat het leegstaande pand ‘een rotte kies’ was, die voor 2018 Culturele Hoofdstad getrokken moest worden. Nou, ik kan u verzekeren, in de ogen van het establishment was Het Friesch Koffiehuis in de jaren tachtig een bek vol rotte kiezen. Juist daarom kwam ik er zo graag.