Mijn Oecumenische schoenen

Nieuwe schoenen

Louter wanneer er sprake is van gerichte aanschaf, ga ik nog wel eens mee langs de winkels. Mijn vrouw moest een cadeau voor een jarige vriendin hebben en zo passeerden wij gearmd op de Dracht in Heerenveen de etalage van een schoenenzaak, die UITVERKOOP schreeuwde.
‘Moest jij geen nieuwe schoenen hebben?’, vroeg ze.
Dat kon ik moeilijk ontkennen. Mijn ‘nette’ schoenen waren de schaamte al lang voorbij. Wij gingen dus naar binnen.
‘De herenschoenen,’ zei ik tegen de eerste de beste verkoopster. Ze verwees mij door naar de andere kant. Daar kwam mij een stelling met maatje 44 tegemoet. Ik stelde mij ontvankelijk op, wierp een blik op de assemblage en pakte intuïtief een schoen die mij aanstond. Ik geloof daarin. Als je binnen vijf minuten niet bent geslaagd, ga je compromitteren en doe je jezelf tekort. Voor mijn vrouw, die winkelen als werkwoord bezigt, ligt dat anders.
‘Deze doen we,’ zei ik over mijn schouder, maar ze was achteropgeraakt. Toen ze me eenmaal had gevonden, had ik hem inmiddels aan mijn linker sok gestoken.
‘Wat vind je?’, vroeg ik. Ze vond hem mooi, maar drong erop aan dat ik ook de rechterschoen zou passen, want ik moest toch weten of ze lekker liepen. Puntschoenen lopen altijd prettig, maar die andere moest toch komen, dus stuurde ik een verkoopster op pad. Mijn vrouw keek onder de zool en zei:
‘Giorgio,’ zei ik, ‘Italiaans.’
‘Ik dat verkeerd?’, vroeg ik.
‘Niet per sé,’ zei ze.

Toen ik beide schoenen aanhad en rond de stelling was gelopen, bevestigde ik mijn keuze en liet mijn oude schoenen inpakken.
‘Vind je ze niet prachtig?’, zong ik buiten. Ik zweefde en voelde mij zonder grond een beter mens.

Inlopen

De volgende ochtend was het zondag. Toen ik beneden kwam zag ik mijn nieuwe schoenen weer staan en trok ze meteen weer aan. Ze moesten nog een beetje inlopen, dus besloot ik te voet naar mijn moeder te gaan. Dat had ik beter niet kunnen doen, want ze zei alleen maar o, toen ik mijn nieuwe schoenen liet zien, en op de terugweg liep ik een blaar op mijn linker hiel. Thuis prikte ik hem lek en deed ik er een pleister op.
‘Je trekt die veters ook veel te strak aan,’ zei mijn vrouw.
Daar had ze wel een punt. Ik trek per jaar zeker drie paar veters kapot, maar ik vind dat lekker. Maar goed, misschien moest ik deze schoenen toch iets minder straf veteren.

Toen de blaar was geheeld, trok ik ze aan naar mijn werk, tegen mijn natuur losjes geveterd. Maar tijdens de lunchpauzewandeling – door collega Anton steevast ‘Rondje van de zaak’ genoemd – begon mijn rechtervoet pijn te doen op de wreef. Ik hield niet in en verbeet het ongerief, maar nu begon ik mij wel zorgen te maken. Stel je voor dat ze bij nader inzien gewoon niet goed waren. Die gedachte was onverdraaglijk, want mooi heeft wat mij betreft uitsluitend bestaansrecht als het gepaard gaat met kwaliteit en comfort.
‘Je hebt mooie schoenen,’ zei mijn vrouw, toen ik thuiskwam.
‘Ja,’ zei ik, ‘maar ze moeten nog wel inlopen.’
‘Weer een blaar?’
‘Nee, nu heb ik pijn op de wreef … kijk, hier. Misschien zitten ze nu wel te slap. Dan gaat je voet schuiven …’ Ach, ik zei maar wat.

Twee weken lang had ik geregeld mijn Italiaanse schoenen aan. Ik ging – om met Henk Gemser te spreken – in gesprek met mijn voeten. Steeds veterde ik ze anders, maar beter werd het niet. Soms voelde ik de pijn iets hoger, soms ook links en tenslotte voelde ik het al, zodra ik ze onder de kapstok zag staan. Een crisis dreigde.

Inzicht

Zaterdag moest ik naar buiten. Ik was ongedurig en had behoefte aan nieuwe inzichten. De dunne winter leek bestendig, dus besloot ik een fikse wandeling te maken. Op dat moment kreeg ik een idee. Ik haalde de veters eruit en reeg ze opnieuw alleen door de bovenste drie gaatjes. Daarna trok ik ze halfzacht vast. Toen ritste ik de jas van Koos hoog dicht en trok mijn leren handschoenen aan. Via het Jouster strand liep ik met grote passen over de bruggetjes naar het Helmhout richting Bowlingcentrum. Pas ter hoogte van de Brandweerkazerne ontspande ik. Het voelde nog steeds goed! Ik had warempel het lek boven!
Op dat moment moest ik denken aan mijn vriend de Psycholoog. Zo’n 15 jaar geleden, toen men algemeen vond dat je jezelf moest leren kennen, had hij eens gezegd: ‘Van buiten ben jij katholiek, maar van binnen gereformeerd.’ Omdat het goed klonk heb ik er niet op door gevraagd. Ik had immers een antwoord. Ik wist wie ik was.
Pas zaterdagmiddag, toen ik in mijn eigen tempo door de Midstraat terugliep en speelde met de gedachte op de Merk een zoute haring te halen, realiseerde ik mij wat hij toen bedoelde. Met een katholiek plezier had ik die schoenen gekocht, maar mijn gereformeerde inborst eiste comfort. Dat was geen vraag, daar ging ik vanuit. God zij dank liepen ze nu goed en was ik weer in balans.

Jubelend vertelde ik een uurtje later aan mijn vrouw van mijn bevindingen.
‘En wat was het nou?’, vroeg ze.
‘Kijk, je moet het zo zien,’ zei ik. ‘De bovenste drie gaatjes zijn gereformeerd en de onderste twee zijn katholiek. Als je het ziet, is het heel eenvoudig.’
Ze vond het niet grappig. Gelukkig maar, want zo was het ook niet bedoeld.

Bekijk ook...

De vaste plek der dingen

Mijn vrouw heeft ontegenzeggelijk de mooiste benen van voor de Cubacrisis, maar gelukkig heeft ze ook enkele tekortkomingen, want van de volmaakte vrouw is geen man ooit gelukkig geworden. Zo is ze, ondanks het kwijnen van de oerbossen, dol op reclamefoldertjes. Bij het lezen worden ze rondom verspreid op stoelen, tafels en vloer, zonder een herkenbaar systeem. Ik verdraag het, maar ik zal er nooit aan wennen.

Toen ik zaterdag de nieuwe tv-gids, die zij hardnekkig radiobode noemt, wilde pakken en hij niet op zijn vaste plek onder de salontafel lag, keek ik in de krantenbak, maar...

De Rappe Krentenbol

Na een grimmige vergadering moest ik wat stoom kwijt. Omdat het mooi weer was en ik mijn brood was vergeten, besloot ik naar de Lidl aan de Oude Oppenhuizerweg te lopen, voor een zak snelle krentenbollen. Halverwege op een parkeerterrein haalde een man een voorwiel uit zijn Renault en vervolgens de rest van een racefiets. Toen wierp hij zijn stropdas op de achter-bank, trok zijn overhemd uit en liet ook zijn kantoorbroek zakken.

Café à la mocque

Café á la Mocque

Toen ik stipt op de piepjes van tien uur arriveerde bij zijn buitenverblijf, was mijn vriend Kees in rep en roer. Wij konden niet handen schudden, omdat zijn vriendin een patiënt met schurft behandelde. Bovendien was het koffiezetapparaat, dat altijd op de hoek van het aanrecht had gestaan, verdwenen.