Moederdag mag

De afstand tussen mij en mijn moeder is ongeveer 2,5 kilometer en te voet zijn er drie routes om die te overbruggen. Eentje door het groen – leuk, maar je ziet geen flikker – eentje over de Van Brienenoord-Noord – gevoelsmatig de kortste – maar vandaag liep langs het industrieterrein van Joure. Alleen welteverstaan, want mijn vrouw vond dat een moeder op Moederdag thuis behoort te zijn. 
‘Natuurlijk moet het niet,’ had ze gezegd over het bos bloemen, dat ik niet voor haar had gehaald, ‘maar het is ook niet verboden.’ Het verweer dat Moederdag een bedenksel van de middenstand is, en dat zij mijn moeder niet is, heb ik dit jaar maar eens achterwege gelaten, want een vrouw heeft tenminste recht op één Principeloze dag per jaar. 
Zo liep ik dus in mijn eentje te genieten van de vrije wind en de cadans en mijn eigen voetval. Ik dacht bijvoorbeeld aan mijn vader, die wij op zijn sterfbed moesten beloven, dat we goed voor moeder zouden zorgen. Volstrekt overbodig, natuurlijk, want de liefde voor je moeder is aangeboren, maar sindsdien zoen ik haar op de mond, want misschien bedoelde hij dat ook wel. En geheel toevallig passeerde ik op deze route de Jumbo, waar ze voor een habbekrats best een aardige boeket verkopen, dat minstens een week staat. Bij mijn moeder zelfs twee weken, want zij zet snijbloemen ’s nachts in het andere kamertje, waar de ‘kachel’ uit staat. In gedachte hoorde ik haar al zeggen: och, voor Moederdag? En ik dan: Nee, zomaar. En zei weer: dat had niet gehoeven. En ik: nee, maar het mag wel. Precies zoals we vroeger in de kerk ieder zondagochtend dezelfde Latijnse gebeden uit-spraken, in een diep besef dat het ergens goed voor was. 
Bij de deurcamera hield ik het boeket achter mijn rug. Daarna drie keer twee halve trappen op. De deur van het appartement stond al open, zodat ik op de galerij al stemmen hoorde. 
‘Och, nog meer bloemen!’, riep mijn moeder lachend. ‘Ik weet niet of ik wel genoeg vazen heb.’ 
‘Ik wil ze wel weer meenemen,’ zei ik quasi verontwaardigd en dreigde haar kapsel te verwoesten, maar mijn zusje schoot al te hulp. Ze zoende me onontkoombaar en schoot de bijkeuken in, waaruit ze bijna onmiddellijk weer tevoorschijn kwam met een passend vaasje. 
‘Ga maar bij de anderen zitten,’ zei ze, ‘heb je zin in appeltaart?’ 
Ik heb nooit op die seniorenflat gewoond en de meubels zijn allemaal nieuw, maar toch kwam ik een beetje thuis. Schuldbewust stuurde ik mijn vrouw een lief appje. 
‘En nu die telefoon weg, hoor,’ zei mijn broer streng. 
Ik liet me ruw naast hem op de bank vallen, waardoor hij koffie morste, enzovoort, enzovoort, … (familie gaat nooit voorbij). 

Bekijk ook...

Pier Nijholt (1922-2008)

Afscheid (2008)

Pas jaren later besefte ik, wat mijn vader me liet zien. Wachtend op de dood, nam hij afscheid van zijn leven met verhalen over de onbelaste jaren van zijn jeugd. Dat was de tijd dat hij met zijn vrienden ging voetballen en daarna naar het café. Alle dorpsfeesten liep ze af, op zoek naar vertier en ongein. Vrij en zonder zorgen. ‘Toen waren wij er nog niet,’ concludeerde mijn broer, maar ik dacht terug aan de kermis van ‘63.

Pier Nijholt (1922-2008)

In Paradisum

Niemand ging mooier dood dan mijn vader. In de zomer van 2007 werd in het ziekenhuis slokdarmkanker vastgesteld en kreeg hij slechts enkele maanden mee naar huis. Hij zuchtte tweemaal diep en was er klaar voor.

Koos van de Sloot 1979

Kroniek van een vriendschap # 1

Mijn vriend Koos van der Sloot is niet meer, maar het eeuwig leven gaat door; in zijn nalaten-schap, in de herinneringen en verhalen, totdat ook wij – de vlamdragers – herinnering zijn ge-worden. Ik barst van de verhalen en wil er graag een aantal met jullie delen. Het begin van onze vriendschap, ruim 38 jaar geleden, was zowel markant en karakteristiek …