Requiem voor een ongediertje (2019-2019)

Zondagochtend, toen ik voor mijn ontbijt twee beschuitjes kaas met rood smeerde, zag ik hem liggen. In de vensterbank, tussen de stopcontactenborstel en een flessenwipper, lag op zijn rug een dode bromvlieg.
Ik was me van geen vlieg bewust geweest. Ach, hij had van de kruimels op het aanrecht gegeten zonder mij tot last te zijn en was een natuurlijke dood gestorven. En het fysiek van de bromvlieg zorgt er kennelijk voor dat hij dan op zijn rug komt te liggen, met gespreide vleugels en de pootjes omhoog.
‘Wat zoek je?’, vroeg mijn vrouw, toen ze de keuken binnenkwam.
‘Hebben wij niet een leeg luciferdoosje, of pillenpotje?’, vroeg ik. ‘Dan begraaf ik hem in de tuin.’
‘Gatsie, waar heb je het over?’
‘Die vlieg in de vensterbank …’
‘Stel je niet aan,’ zei ze kortaf.
‘… of heb jij hem gisteren doodgeslagen?’
‘Natuurlijk niet. Dat is jouw specialiteit. Jij bent hier de moordenaar.’
Dat stak mij, te meer omdat ze gelijk had. Mijn liefde voor insecten eindigt bij het sluiten van de horren. Als met een spraakzuchtige collectant aan de deur toch een ongediertje naar binnen glipt en het waagt door mijn beeld te dwarrelen, dan is hij virtueel al dood. Ik verlies al mijn aandacht voor een film, een glas wijn, zelfs een boek en transformeer van een overtuigd passivist naar een jager.
‘Jij plet die zilvervisjes in de badkamer toch ook?’
‘Dat is iets anders …’
Mijn gedachten waren bij de overledene, dus verbeet ik een ochtendtwist en liep door naar de werkkamer, waar ik een doosje vond, waar nietjes in hadden gezeten. Daar schoof ik het lijkje in. Toen startte ik mijn PC op en …
‘Ga je weer schrijven?’
‘Nee!,’ zei ik geagiteerd en sloot de deur. Ik dacht na over een passend requiem voor de vlieg. Death is not the end (Nick Cave)? Of Vlieg met me mee naar de regenboog (Paul de Leeuw)? Nee: One day I’ll fly away (Randy Crawford)! Die sleepte ik op mijn scherm in het BS player icon. En terwijl Randy haar lied zong, trachtte ik het kleine verdriet te doorvoelen en keek ik naar buiten. Het weer was stemmig bewolkt. Toen zag ik de puinhoop op mijn bureau. Een bidprentje van een overleden tante, een stapel tijdschriften, die bij het oud papier moest, een stick met trouwfoto’s van mijn zoon, die ik nog eens moest sorteren.

Nog tijdens de slotakkoorden stond ik op, ik legde het nietige doosje op de rand van mijn bord en liep door naar de keuken, waar ik het achteloos in de pedaalemmer kieperde.
‘Klaar?’, vroeg ze.
‘Klaar,’ zei ik. ‘Je kunt gewoon niet huilen om een vlieg.’
‘Je kunt ze niet in de ogen kijken,’ beaamde ze.
Daar moest ik over nadenken, maar daar was geen haast mee.

Bekijk ook...

Levensvragen

‘Maar wat is nou de zin van filosofie?’, vroeg onze buurvrouw.

Allemaal naar buiten voor de foto ...

Mijn neef Koen

Tijdens een familiegebeuren sprak ik weer eens neef Koen, voor wie ik al sinds zijn geboorte een zwak koester. Als kind kwam hij vaak logeren, maar sinds hij in Groningen woont, zie ik hem nog zelden. Hij was mager geworden en droeg een bril. Door het toeval gestuurd stonden wij naast elkaar in de keuken, ik in de weer met de prinsessenbonen, hij met de uien. ‘Hé Koen, hoe gaat het?’, vroeg ik, toen ik een traan over zijn wang zag biggelen.

De handen van mijn moeder

‘Kijk,’ zei mijn moeder. Ze wilde naast me komen zitten. ‘Anderhalve meter,’ zei ik weer. ‘Ach ja,’ zuchtte ze. Ze reikte me haar ‘app-apparaat’ aan en nam weer plaats bij het raam. Op de foto zat een familielid op zijn ziekbed met een duim op. ‘Heeft ie …?’ ‘Nee, het is wat anders,’ zei ze, ‘maar aan zijn voeten …’