Snijpunt Heegermeer, 1997

Mijn handicap

Toen ik in 1955 aan haar baarmoeder ontglipte, zei dokter de Boer tegen mijn moeder dat alles goed leek, maar een paar jaar later vonden ze op het kleuterbureau toch dat ik X-benen had. Niemand had daar ooit iets van gemerkt. Mijn achillespezen waren te lang, constateerde vervolgens de benendokter. De oplossing was een operatie, om die pezen in te korten. Ik herinner me nog dat ik in het ziekenhuis van een stinkende rubberkap over mijn mond kreeg, en wakker werd op een zaal met wilde jongens, die mij bang maakten en dan moesten lachen. Ik kon ook niet weglopen, want mijn onderbenen waren in een laars van gips verdwenen. Voor het eerst was ik alleen op de wereld.

Pas na een week werd ik opgehaald door mijn vader en een buurman, die een auto had. Vier weken lang werd ik van mijn stoel naar mijn bed getild en toen het gips er eindelijk af mocht, viel ik om. Ik was mijn evenwicht kwijtgeraakt, maar dat vond ik gelukkig al snel weer terug. Op het kleuterbureau waren ze tevreden, bij gymnastiek was ik één van de snelsten, maar schaatsen was geen groot succes. Op houtjes kwam ik de ijsbaan wel rond, maar ik was lang niet de beste van de klas en in mijn pubertijd ging het gewoon niet meer. Mijn enkels deden pijn en van oefenen werd het alleen maar erger.

Bij nader inzien

Als er vroeger ijs in de sloten lag, aten wij trommelkoek met stroop en boter, want mijn vader zorgde tussen de middag voor het eten. Mijn moeder reed dan tochten langs 11 meren of 16 dorpen. Zij had Zonderland-bloed, zei mijn vader. Ik niet. Ik was best lenig, maar door die enkels en een gevoeligheid voor astma liet ik het fenomeen sport al snel links liggen. Ik stortte mij op de muze en een prettig bestaan al dan niet met verboden middelen.

Terug ik weer in Joure kwam wonen – mijn vrouw wilde beslist naar een dorp met een Hema – werd ik gevraagd als keeper in het zaalvoetbalteam van mijn broers. Ik liet mij zachte lenzen aanmeten, zodat ik mijn bril thuis kon laten, en nam plaats onder de lage lat. Vijf jaar later ging ik eens bij mijn broer op de tennisbaan kijken. Ik zag hem rennen en springen en uithijgen aan de bar. Dat leek meer op sport dan vliegen vangen op de doellijn, vond ik, dus stapte ik over naar tennis. Op het moment dat ik professioneel aan mijn top zat, begon ik aan iets, dat ik als een kind van begin af aan moest aanleren. Dat was erg louterend. Groots is het nooit geworden, maar meeslepend … vooruit dan, af en toe.

Pas toen ik al 40 was, werd ik erop geattendeerd dat er schaatsen waren met harde schoenen, voor stumpers met slappe enkels. Bij nader inzien besloot ik het nog maar eens te proberen, zodat ik met de kinderen de vijvers en sloten op kon. En dat beviel. Ik kwam pijnvrij steeds beter vooruit, hoewel ik de souplesse van mijn broers voorgoed was misgelopen.

Onze kruisende curves

In 1996 en 1997 reed ik geregeld tochten, waardoor ik steeds sterker werd. Mijn vader hield het voor gezien en mijn moeder voelde het klimmen der jaren ook in haar benen zakken, maar ze wilde het in 1997 nog wel eens proberen. En zo kruisten mijn stijgende curve en haar dalende curve elkaar op het Heegermeer, precies op de dag dat voorzitter Kroes riep: ‘It giet oan!’
Toen we in Sneek aan de Geeuw onder bonden, vroor het 10 graden. Er was nauwelijks wind, de zon scheen en er lag een maagdelijk laagje sneeuw. Wij waren de eersten. Roerloos gleden wij over het gladde ijs van vaarten, wielen en meren. Synchroon en dicht bij elkaar, als door een navelstreng verbonden, bewogen wij ons door die magische witte ruimte. Op de terugweg reden we tussen Workum een Bolsward een etappe van de aanstaande 11- steden route. Daar hielden we de walkant en werden we voorbijgesneld door bekwame uitslovers.

Drie dagen later schaatste mijn broer voor de derde keer de 11-stedentocht. Zolang de winter duurde reed ik nog tochten, alleen of met mijn zoon van 11, maar met mijn moeder heb ik nooit meer geschaatst. De laatste keer, dat zij de noren onder bond, was in 2005 op het heilige ijs van Thialf tijdens een uitje van haar trimclub. Daar trof ze een stagiaire van haar sportschool, een opkomend talent, ene Sven Kramer.
‘Ik heb jouw pake nog gekend,’ zei ze. ‘Die kwam ook van St Nicolaasga.’
‘Even lachen,’ riep de leider en hij drukte af. Zomaar een moment, voor de eeuwigheid bewaard.

Bekijk ook...

Dokkum Moordstad

In een ver verleden passeerde ik dagelijk de Friese stad Dokkum, die bekend staat als mooi maar saai. Om dit imago te weerspreken galmde mij op een zeker moment bij het binnenrijden de slogan Dokkum Moordstad tegemoet. Botte humor, vond ik, want dat had die Bonifatius toch niet verdiend. Toen ik me gisteren realiseerde dat er een aanslag op mijn leven was gepleegd, moest ik daaraan denken.

Op expeditie

Dit verhaal begon al op zaterdag, tijdens de eerste dagen van de hittegolf. Omdat onze auto airco heeft en we dit jaar nog geen kunst hadden aangeschaft, besloten wij op...

Twee bier en een appje

‘Het probleem is, dat ze tegenwoordig geen brieven meer schrijven,’ legde mijn vriend de Schoolmeester op gezaghebbende toon uit. De aanleiding was een artikel over de tanende verbale vaardigheden onder studenten. ‘Ze komen niet meer uit hun woorden. Dat is het probleem.’ ‘Misschien heb je gelijk,’ antwoordde ik, ‘maar je houdt de vooruitgang nu eenmaal niet tegen.’

Match Fixing (1968)

De jaarlijkse voetbalwedstrijd van de Bonifatiusschool tegen de Openbaren zou plaatsvinden op een echt voetbalveld van Sportclub Joure onder leiding van onze gymleraar van der Meer. Wij minachtten van der Meer, want hij spuugde bij het praten, dus noemden we hem heimelijk Flieber. Bovendien was hij gemeen en zelf Openbaar, dus floot hij vast tegen ons. Jopie was onbetwist de beste voetballer van de school, dus hij bepaalde wie erin zat.