Tegen de honden

Een kwestie

Mijn vriend Kees de pensionado had voor één nacht onze logeerkamer geboekt. Tijdens de warme maaltijd verlevendigde hij het tafelgesprek met zijn avonturen. Hij is in staat om een incident aan de kassa bij de Aldi op te blazen tot iets groots en meeslepends, waar de werkende man door de week gewoonweg geen ruimte voor heeft. Maar bij het pellen van de mandarijn, die ik hem bij wijze van dessert had toegeworpen, begon hij al te gapen. De koffie, die mijn vrouw zette – zij moest nog tennissen - sloeg hij beleefd af, in verband met zijn broze nachtrust.
‘Maar je blijft nog wel zitten voor De Wereld Draait Door, hoor,’ maande ik. ‘Voor mij is dat ritueel.’
‘Goed,’ zei hij inschikkelijk, ‘maar mag ik dan wel praten?’
‘Natuurlijk mag jij praten,’ zei ik. ‘Dan zetten we de Wereld gewoon even stil.’

Ik gleed genoeglijk onderuit, maar al tijdens het eerste item raakten wij verwikkeld in een twistgesprek, vanwege een jeugdige gast, die zich had verdiept in de bedreigingen vanuit China, Amerika en het Wereldrumoer in zijn algemeenheid. Hij voelde dat ook. Ik absoluut niet.
‘Als jij van Amsterdam naar huis fietst,’ vroeg ik, ‘herken je dan iets van wat er in jouw krant staat? Kom je Chinezen tegen? Rijdt je lek op de Megabits?’
‘Ach, Jij steekt je kop in het zand,’ zei hij geagiteerd.
‘Jij steekt je kop in de strop,’ antwoordde ik per ongeluk. Ik wilde de kwestie niet voeden, maar ik liet mij ook niet marginaliseren door een zwartkijker, niet in mijn eigen huis.
‘Ik vind dit net zo erg als een klimaatontkenner,’ zei hij verbeten.
‘Dat mag,’ besloot ik. ‘Zullen we nu weer verder kijken?’

Ik zette het beeld weer in beweging en tijdens het volgende item vonden wij elkaar weer in onze bewondering voor een grijsaard met een bijzondere gave voor hoofdrekenen. Toen Matthijs van Nieuwkerk hem vroeg, waarom hij nooit voor het wereldkampioenschap hoofdrekenen was gegaan, vertelde hij dat hij de enige in zijn soort was, die was getrouwd en zich had voortgeplant. Zelfs de getallen hebben een grens.

Verzoening

‘Ik moet iets rechtzetten,’ zei ik, toen het programma was afgelopen. ‘Zei ik nou, dat de bedreigingen van de grote boze buitenwereld mij niet interesseerden?’
‘Zoiets,’ beaamde Kees.
‘Oké, ik realiseerde me net, dat dat niet helemaal waar is,’ bekende ik toen. ‘Dat heb ik mezelf wijs gemaakt, maar het is juist te groot voor mij. Ik kan er niet tegen, en ik kan er ook niets tegen doen.’
Mijn vriend zweeg, maar zijn blik verzachtte.
‘En als ik de eerste pagina’s in de krant niet lees en op tijd wegzap, dan merk ik er ook nooit iets van. Begrijp je?’
‘Ik begrijp je weer,’ glunderde hij.
‘Je kunt het zien als mijn tuin,’ zei ik. ‘Daar heb ik een hek omheen gezet tegen de honden. Virtueel dan … ik bedoel: ik zou me natuurlijk kunnen verhangen, maar dat is zo ongezellig.’
‘Nee, dat moet je niet doen,’ zei mijn vriend ernstig. ‘Ik benijd je. Ik kan geen hek timmeren en ik heb geen tuin. Daarom lees ik de krant en lijd ik onder oorlogen en onrecht. En het houdt me soms uit de slaap. Als ik bijvoorbeeld lees, dat Matthijs van Nieuwkerk zoveel meer verdient dan een verpleegster, dan verdraag ik dat niet.’
‘Je zult wel moeten,’ zei ik kalm. ‘Sterker nog, als ik een half miljoen voor mijn werk zou kunnen krijgen, nam ik het ook aan.’
‘Dat zou ik ook niet verdragen,’ verzuchtte hij, ‘maar ik zou het wel begrijpen. Het is … moeilijk.’
Opeens zag ik dat het koffiezetapparaat nog aanstond. Ik stond op en deed het uit.
‘Bedankt,’ zei hij achter mijn rug met een weldadige gaap. Hoewel ik hem niet meteen begreep, liet ik de verzoening nog even uitgalmen.
‘Weet je, dat bed van jullie …,’ zei hij toen met grote nadruk.
‘Dat is een lekker bed,’ zei ik, ‘maar toch is die matras al twintig jaar oud.’
‘Dat wil ik niet weten,’ zei hij met gespeeld misbaar. ‘Ik slaap nergens zo lekker als hier.’
‘Dat zeg je elke keer,’ zei ik, ‘en dat moet je ook blijven zeggen. En morgenvroeg mag je binnen het hek van onze tuin jouw krant lezen. Zie ik je morgen nog?’
‘Misschien,’ antwoordde hij. Hij nam zijn weekendtas op en trok zich terug.

De klok gaf half negen aan. Ik stuurde mijn vrouw een appje, om te vragen of ze had gewonnen, zodat ik bij winst of verlies zou kunnen verklaren dat ik van haar hield. Door de tussenkomst van mijn vriend Kees was dat er vandaag nog niet van gekomen.

Bekijk ook...

Ik was nog een snotneus.

Stiekem, bij de jassen

‘Ik kom voor de receptie,’ zei ik tegen een zwart bejurkte dame in de hal. ‘Trap op, linksaf, dan ziet u het vanzelf,’ zong ze routineus. Nog voor ik een kop koffie met oranjekoek in de handen kreeg gedrukt, zag ik Annie staan. Ik had toevallig gehoord dat ze er waarschijnlijk ook zou zijn, anders had ik mijn vroegere buurmeisje beslist niet herkend. Pas na de mooie woorden voor de pensionado liep ik haar toevallig tegen het lijf.

Allemaal naar buiten voor de foto ...

Mijn neef Koen

Tijdens een familiegebeuren sprak ik weer eens neef Koen, voor wie ik al sinds zijn geboorte een zwak koester. Als kind kwam hij vaak logeren, maar sinds hij in Groningen woont, zie ik hem nog zelden. Hij was mager geworden en droeg een bril. Door het toeval gestuurd stonden wij naast elkaar in de keuken, ik in de weer met de prinsessenbonen, hij met de uien. ‘Hé Koen, hoe gaat het?’, vroeg ik, toen ik een traan over zijn wang zag biggelen.

Levensvragen

‘Maar wat is nou de zin van filosofie?’, vroeg onze buurvrouw.