Tot meer tellen!

Met de kleine meid op schoot, terwijl zij een boterham oppeuzelde, nam ik een populair wetenschappelijk magazine door, waarin de werking van het heelal werd uitgelegd.
‘Kijk zo,’ zei ik. ‘Jij bent ons zonnetje …’ en terwijl ik een stukje brood in een baan om haar hoofd bracht: ‘… en dit is een planeet.’
Ze probeerde het met open mond te volgen. Toen probeerde ze het te grijpen.
‘Nee, nee,’ zei ik geduldig, ‘één tegelijk.’
Mijn zoon zat aan de overkant met mijn vrouw te keuvelen over ontwikkelingen op zijn werk, die ons in het licht van de eeuwigheid en de maaltijd nietig en irrelevant voorkwamen. Haar hand griste het stukje brood uit mij handen, maar op hetzelfde moment had ik haar pols vast.
‘Eén,’ zei ik beslist.
‘Meer,’ riep ze met volle mond.
‘Ze kan al tot meer tellen!’, riep ik enthousiast. ‘Dat is heel knap, want ze is nog maar één.’
‘Eén!’, riep ze enthousiast. Ze liet het stukje brood vallen, maar toen ik haar pols losliet, pakte ze het snel op en stak het alsnog in haar mond.
‘Toe!’, riep mijn vrouw, ‘dat kan niet!’
Mijn zoon leek zich er niet erg druk om te maken, dus zag ik niet in, waarom ik zou ingrijpen.
‘Dat mocht eigenlijk niet, he?’, fluisterde ik in haar oor, ‘maar het kán wel.’
Ik knuffelde haar opzichtig en blies in haar haar. Ze gaf een hoge piep en spoog haar mond leeg over de tafel. Mijn zoon hief nu zijn armen bezwerend omhoog en zei op strenge toon, dat ze dat niet mocht doen. Ze verstarde onmiddellijk.
‘Dit is het eind van de wereld,’ fluisterde ik weer in haar oor. Vragend keek ze om.
‘Nee hoor,’ zei ik, ‘er is altijd meer.’ De grootste kwak, die in het midden van de zon was beland, legde ik op de rand van haar bordje en ik gaf haar een nieuw stukje. Dat kauwde ze aandachtig fijn, terwijl ze een bladzijde omsloeg en met een natte vinger het darmstelsel van een geopende mens aanwees. Ik sluit niet uit, dat ze later astrofysicus wordt, maar boer-zoekt-vrouw is wat mij betreft ook goed.

Bekijk ook...

Twee vrienden bij Sonsbeek Arnhem

Kroniek van een vriendschap # 5

Wat zullen we doen? Zo was mijn vriendschap met KOOS van der SLOOT. In de auto, op de fiets, in de benen. Als ik terugdenk, zal ik dat het meest missen. Een belangrijk verschil tussen Koos en mij is dat hij onveranderlijk altijd en overal hetzelfde is, een man uit één stuk. Ik ben altijd niet iemand anders, ik pas mij aan, ik ben een man van vijftien jassen.

Tekening van Tilly

‘Heb jij die tekening van Tilly nog?’, vroeg mijn vriend Koos van der Sloot op een dag. Het zal een jaar of 10 geleden zijn. Natuurlijk! Ik haalde een blauw portfolio van zolder, waarin ik hem bijna 30 jaar zorgvuldig had bewaard. ‘Als jij er niets mee doet, geef mij hem dan maar mee,’ zei mijn vriend streng. ‘Ik heb hem ook gekregen.’ Daar kon ik niets tegen in brengen. We hadden hem ooit gekregen voor ons tijdschrift De Vogelaar.

Tess Nijholt en Pake Herman

Tot meer tellen!

Met de kleine meid op schoot, terwijl zij een boterham oppeuzelde, nam ik een populairwetenschappelijk magazine door, waarin de werking van het heelal werd uitgelegd. ‘Kijk zo,’ zei ik. ‘Jij bent ons zonnetje …’ en terwijl ik stukje brood in een baan om haar hoofd bracht: ‘… en dit is een planeet.’