Twee bier en een appje

​‘Het probleem is, dat ze tegenwoordig geen brieven meer schrijven,’ legde mijn vriend de Schoolmeester op gezagheb-bende toon uit. De aanleiding was een artikel over de tanende verbale vaardigheden onder studenten. ‘Ze komen niet meer uit hun woorden. Dat is het probleem.’
‘Misschien heb je gelijk,’ antwoordde ik, ‘maar je houdt de vooruitgang nu eenmaal niet tegen.’
‘Hmm,’ zuchtte hij. Hij wilde iets zeggen, maar slikte het weg en dacht er het zijne van.
‘Voor mijn werk schrijf ik nog wel eens een brief,’ zei ik, ‘maar in het dagelijks leven eigenlijk nooit meer. De laatste brief die ik op de post heb gedaan met een postzegel erop, was gericht aan een stervende man. Ik vond dat hij dat had verdiend, maar ik heb hem niet met de hand geschreven. Dat wil niet meer. Je bent zo gewend te corrigeren.’
‘Ik ben er ook mee opgehouden,’ bekende hij mismoedig. ‘Niemand schreef nog terug. Vaak wist ik niet eens of ze hem wel hadden gelezen.’
‘Jouw probleem is, dat je je mobiel niet gebruikt …’
‘Wis en waarachtig gebruik ik dat ding wel!’
‘Ja, om te bellen als je laat bent voor het eten. Maar je moet gaan appen.’
‘Eppen is ordinair en oppervlakkig,’ verklaarde hij dwars.
‘Wacht,’ zei ik en klapte mijn Samsung open: ‘Kees appte gisteren onder andere dit: Op het toilet werd ik getroffen door deze quote van Dylan: Life on the road is not what it used to be, but what used to be may not have existed anyway. Voor het vegen moest ik dit met je delen … Is dat oppervlakkig?’
‘Nee,’ gaf hij toe, ‘maar wel ordinair.’

Die diskwalificatie liet ik voor hem op tafel liggen en liep naar de keuken. Natuurlijk deelde ik in het geniep zijn heimwee naar de tastbare werkelijkheid van de handgeschreven brief, dat pakketje op de deurmat met genummerde blaadjes gelinieerd papier. Om nog maar te zwijgen van de geüniformeerde postbeambte, die hem te voet langs gebracht, en de oeverloosheid van bespiegelingen, die niet onmiddellijk om antwoord schreeuwden. Het stemde me melancholiek, maar uit angst om op een dag de aansluiting met het NU te missen, had ik het land aan mensen, die weigerden die aansluiting te behouden.
Ik haalde mijn telefoon tevoorschijn en keek of mijn vriend de Schoolmeester WhatsApp op zijn ding had. Warempel.
Onmiddellijk appte ik hem: Alles wordt beheerst door angst: angst voor het leven of angst voor de dood. Toen zette ik het koffie-zeeapparaat uit, haalde twee blikjes Hertog Jan uit de koelkast en spoelde twee glazen om. Op het moment dat ik de woonkamer binnenkwam, stopte hij net zijn telefoon weg. Ik gaf hem een blikje en wachtte af.
‘Wat anders,’ zei hij op een ijle toon, staat het eigenlijk met dat Topsportcentrum van jou? Is dat al klaar?’

Ik stelde hem op de hoogte van de ontwikkelingen, zonder te veel in detail te treden, en vroeg me ondertussen af of er al twee blauwe vinkjes voor mijn bericht stonden, en waarom hij over iets anders was begonnen. Of had ik juist met mijn tegeltjeswijsheid onze gedachtewisseling doodgeslagen?
Misschien waren wij bij nader inzien slechts goede kennissen.

Bekijk ook...

Pier Nijholt (1922-2008)

Afscheid (2008)

Pas jaren later besefte ik, wat mijn vader me liet zien. Wachtend op de dood, nam hij afscheid van zijn leven met verhalen over de onbelaste jaren van zijn jeugd. Dat was de tijd dat hij met zijn vrienden ging voetballen en daarna naar het café. Alle dorpsfeesten liep ze af, op zoek naar vertier en ongein. Vrij en zonder zorgen. ‘Toen waren wij er nog niet,’ concludeerde mijn broer, maar ik dacht terug aan de kermis van ‘63.

De binnenkant van mijn schedel

‘We gaan op schoolreisje,’ zei ik, toen mijn vrouw vertelde dat de olijke tweeling kwamen logeren. ‘Waar wil je naartoe?’ ‘Het wordt warm,’ zei ik. ‘We gaan naar Schier.’ Aldus werd besloten. De essentie van een schoolreisje is, dat alles een feestje is. Dat is niet een feit. Dat is een instelling. Dat is de bedoeling.

Twee vrienden bij Sonsbeek Arnhem

Kroniek van een vriendschap # 5

Wat zullen we doen? Zo was mijn vriendschap met KOOS van der SLOOT. In de auto, op de fiets, in de benen. Als ik terugdenk, zal ik dat het meest missen. Een belangrijk verschil tussen Koos en mij is dat hij onveranderlijk altijd en overal hetzelfde is, een man uit één stuk. Ik ben altijd niet iemand anders, ik pas mij aan, ik ben een man van vijftien jassen.