Vrijdag negentien uur

Prutje

‘Wat eten we?’, vroeg ik, nadat ik mijn vrouw bij thuiskomst ritueel had gezoend.
‘Geen idee,’ zei ze laconiek. Zij vindt doorgaans, dat alles vanzelf wel goed komt, als de laden maar gevuld zijn. Ik geloof in het diepst van mijn wezen in het maken en uitvoeren van plannen, dus liep ik naar de keuken en trok de koelkast open. Er lag een handje vol gehakt en een gesneden aubergine. O ja, een restant van het AH verspakket, dat we zondag hadden gegeten. En in de groentenla vond ik nog een puntpaprika en een half bakje kastanjechampignons, dat ook nodig op moest.
‘Dat wordt een prutje’, zei ik tegen mijn vrouw, die erbij was komen staan.
‘Lekker,’ zei ze. Zij dook nog wat andere benodigdheden op, die we eigenlijk altijd wel op voorraad hebben. De pasta, die erbij moest, werd spaghetti.

Ik deed eerst de uien en de knoflook. Zij mikte een bakje spekjes in een braadpan en gooide even later het gehakt erbij.
‘Wij moeten komend weekend ook maar weer eens uit eten,’ opperde ik. ‘We zijn tenslotte niet voor niks geprikt.’
‘Nee, dat is waar,’ zei ze onbewogen, ‘… mag ik de aubergine?’
‘Zullen we Vis en Meer doen?’, opperde ik. Dat stond al een paar jaar op ons lijstje, maar in de goeie tijd was het er nooit van gekomen.
‘Goed,’ zei ze, ‘als jij rijdt’
Zij stamt uit een familie van veehandelaren, met een genetische voorliefde voor alcoholische dranken. Daar kan zij ook niets aan doen. Ik heb daar begrip voor. Dus toen ik klaar was met snijden, ging ik …
‘Wat ga je doen?’
‘Reserveren.’
‘Moet dat nu?’
‘Niks moet,’ zei ik, ‘maar ik dacht …’
‘Misschien kun je de tafel even dekken.’
‘De tafel dekken?! Waarvoor? Hebben we iets te vieren?’
‘Nee, maar we moeten toch oefenen om weer eens een avondje tegenover elkaar te zitten, zonder de teevee aan. Conversatie, over het leven bijvoorbeeld …’
‘Wou je de hele avond achter zitten?!’
‘Niet de hele avond. Wees maar niet bang.’

Ik dekte de tafel en realiseerde me, dat het eigenlijk ook wel zo veilig was niet met het bord op schoot te eten. Ik droeg een wit overhemd en spaghetti kan nu eenmaal onberekenbaar slierten.
‘Wil je er ook een flesje wit bij?’, vroeg ik. ‘Om te oefenen?’
‘Nee, het is nog maar dinsdag. Doe maar water.’
Ik zette twee hoge wijnglazen op tafel met een karaf kraanwater, waar sinds dit weekend schadelijke PFAS in zit, althans dat was in het nieuws. Ik had me voorgenomen, dat nog eens te Googlen, maar echt schadelijk was het nu ook weer niet, hadden ze erbij gezegd. Al moest er geloof ik wel iets aan worden gedaan.

Toen ik klaar was, liep ik naar mijn PC en besprak voor vrijdagavond 7 uur een tafel voor twee.

Een tafel voor twee

Terug in de eetkamer, zag ik dat ze aan tafel op haar telefoon naar een filmpje van de kleinkinderen keek. ‘Schatjes,’ zuchtte ze. Ik overwoog het telefoonprotocol ter sprake te brengen, ook om vast te oefenen, maar deed het niet. In plaats daarvan haalde ik de pan van de inductiekookplaat en zette hem op tafel. Ik lichtte het deksel, zei dat het er heerlijk uitzag en maakte een tast-toe-gebaar.
‘Vrijdag zeven uur,’ meldde ik.
‘Je hebt al gereserveerd?’, vroeg ze droogjes.
‘Ik wil wel weer afzeggen, hoor.’
‘Nee, nee, ik wil best weer eens uit eten. Graag zelfs. Het was toch goed daar?’
‘Volgens Sandra wel.’
‘Maar ik hoop niet dat ze gaan klagen, hoe zwaar het wel niet was tijdens de lock down,’ zei ze, ‘want dan blijf ik net zo lief thuis.’
‘Als ze klagen stappen we op,’ beloofde ik. Ik schonk ons water in en hief mijn glas.

Toen ik mijn bord halfleeg had, legde ik demonstratief mijn vork neer en wachtte tot ze opkeek.
‘En, lieve schat, hoe gaat het eigenlijk met jou?’
Ze maakte haar mond leeg, nam een slok water en zei: ‘Aardig dat je het vraagt. Ik geloof dat het, op wat klein ongerief na, best wel goed gaat. Ik ben in elk blij dat alles weer gewoon wordt.’
‘Gewoon, maar niet als vroeger,’ corrigeerde ik, ‘want we moeten wel vooruit.’
‘Hoe bedoel je, vooruit?’, vroeg ze achterdochtig.
‘Daar hoeven wij ons gelukkig niet meer druk over te maken,’ zei ik, ‘dat zoeken de kinderen maar uit.’
‘Nou, dan komt het vast goed.’
Ik nam mijn vork weer op, maar liet de communicatie nog even indalen.
‘Dit was best een goed gesprek, vind je niet?’
‘We moeten dit vaker doen,’ beaamde ze.
‘Vrijdag, negentien uur. Woudsend.’

Bekijk ook...

Allemaal naar buiten voor de foto ...

Mijn neef Koen

Tijdens een familiegebeuren sprak ik weer eens neef Koen, voor wie ik al sinds zijn geboorte een zwak koester. Als kind kwam hij vaak logeren, maar sinds hij in Groningen woont, zie ik hem nog zelden. Hij was mager geworden en droeg een bril. Door het toeval gestuurd stonden wij naast elkaar in de keuken, ik in de weer met de prinsessenbonen, hij met de uien. ‘Hé Koen, hoe gaat het?’, vroeg ik, toen ik een traan over zijn wang zag biggelen.

Terug naar het ei

Een verslag van de vernisage van mijn vriend en kunstenaar Koos van der Sloot op 3 december 2017: ‘Hoe was de opening?’, vroeg mij vrouw, toen ik zondag thuiskwam. Ik zei naar waarheid dat het gezellig was, want als er meer mensen dan kunstwerken in een ruimte zijn, moet de kunst het nu eenmaal ontgelden.

Match Fixing (1968)

De jaarlijkse voetbalwedstrijd van de Bonifatiusschool tegen de Openbaren zou plaatsvinden op een echt voetbalveld van Sportclub Joure onder leiding van onze gymleraar van der Meer. Wij minachtten van der Meer, want hij spuugde bij het praten, dus noemden we hem heimelijk Flieber. Bovendien was hij gemeen en zelf Openbaar, dus floot hij vast tegen ons. Jopie was onbetwist de beste voetballer van de school, dus hij bepaalde wie erin zat.