Wat ik voor mijn verjaardag kreeg

26 oktober

In een tijd, waarin men alleen nog maar in het weekend jarig is, vier ik mijn verjaardag gewoon op 26 oktober, ongeacht hoe dat valt. Mijn diepere motief is, dat ik niet wil dat dierbaren zich door een expliciete uitnodiging verplicht voelen te komen en een cadeau aan te schaffen, of een smoes te bedenken als ze geen zin hebben. Zwakke plek in die strategie is, dat de verjaardagskalender nagenoeg uit het moderne interieur is verdwenen.
‘Als je niemand uitnodigt,’ zegt mijn vrouw ieder jaar, ‘dan komt er ook niemand.’ En daar zit wel wat in. Vorig jaar bijvoorbeeld waren er maar drie gasten en hebben we pas met de kerst het laatste gebak ontdooit. 2023 was geweldig jaar. Voor de vroegkomers had ik een stamppotbuffet gemaakt, en na het toetje moest ik er nog even tussenuit knijpen, om een extra appeltaart te halen. De laatste twee stukjes hebben we de volgende ochtend bij de koffie verdeeld.  

Enfin, toen we de kinderen en kleinkinderen hadden uitgezwaaid, las ik een Whatsapp felicitatie van een verre vriend, die eindigde met de klassieke vraag: … en wat heb je gekregen? Ik liep naar het dressoir en maakte voor hem een foto. Voor iemand die alles al heeft, had ik geen klagen. Bijvoorbeeld …

De kadoos

Een Stanley schaaf! Eigenlijk twee Stanley schaven, maar eentje wordt geruild. Afgezien van het feit dat het een prachtig vormgegeven object is, ligt hij ook heerlijk in de hand. En dat ik er eigenlijk niet buiten kan merkte ik, nadat ik de Stanley schaaf van mijn schoonvader cadeau had gedaan aan diens kleinzoon, die zich op het meubels maken had gestort. Die schaaf kwam hem meer toe dan mij, vond ik. Tja, en dat verhaal heb ik, met mijn verjaardag in het verschiet, hier en daar laten vallen.

Dan die ene echte kaart, bij een kantoorboekhandel aangeschaft, met inkt beschreven, gefrankeerd en gepost. En vervolgens hoogstpersoonlijk door een postbode langs gebracht, zodat ik hem precies op 26 oktober van mijn deurmat raapte. ‘Aan de Schepper van Meneer Houtman’ stond boven het adres. Hij kwam van een lieve collega, met wie ik na mijn pensionering nog wel eens een kop koffie drink. Ik hoef haar niet ex-collega te noemen, want ik krijg nog elk jaar een kerstpakket. ‘Tot aan je dood …’, zei de weinig subtiele uitvoerder, die dat vorig jaar langs bracht.

Dan een Nationale boekenbon. Toen de gever naar mijn wensen informeerde, had ik terug geappt:  ‘Dat je komt is mijn grootste wens, maar een boekenbon is altijd goed. En niet zo’n bol.com ding, hoor!’ Er zijn mensen, die zo’n bon een onpersoonlijk cadeau vinden, maar dan vertel ik weleens het verhaal van een goede vriend, die mij ooit betrapte met een plastictas vol boeken voor ramsj. Die had hij in de loop der jaren hoogst persoonlijk voor mijn opeenvolgende verjaardagen uitgekozen. Op het titelblad trof hij zijn eigen naam nog aan. Tja, ik hou nu eenmaal niet van geitenbreiers als A.F.Th. van der Heijden. Hij dus wel! Hij heeft die tas voor 25 gulden van mij overgenomen, maar het bleef een beurs plekje in onze vriendschap. 

Van mijn moeder kreeg ik een paar zelfgebreide sokken en contanten. Daar moest ik zelf maar iets voor uitzoeken, zegt ze er altijd bij. En ieder jaar beloof ik daar verslag te zullen doen. Maar alleen de Bulgaarse glazenwassers vragen tegenwoordig nog om contant geld. Hoewel, bij de visboer en de betere boekwinkel nemen ze het gelukkig ook nog in.

Dan een gemengd boeket en een bos rozen in mijn lievelingskleur, geel. Snijbloemen, dat is natuurlijk zonde geld en ze dragen ook bepaald niet bij aan het klimaatvraagstuk. Ze gaan dan misschien langer mee dan een natte zoen, maar binnen de kortste tijd zijn ze kapot en tegen die tijd moet ik vaak onbedaarlijk niezen. Maar juist door al die overbodigheid schreeuwen ze, dat iemand van mij houdt. En ook daar ben ik overgevoelig voor.

Verbeelding

Van beide kleinkinderen kreeg ik een tekening, die ik niet meteen kon duiden. De tekening van mijn kleindochter hield ik aanvankelijk op de kop. Wat ik voor golven had aangezien waren natuurlijk slingers. ‘O ja, nu zie ik het! En is dat een konijn?’, vroeg ik, toen ik een schepsel met lange oren ontwaarde.
‘Dat is een nachtdiertje,’ fluisterde ze. ‘Maar de zwarte stift was bijna op.’ Toen zag ik het, de grijze wolk die het nachtdiertje achtervolgde was natuurlijk de nacht. Dat die zwarte stift bijna op was, scheelde aan de andere kant wel een hoop werk. En zo was hij ook niet doorgelekt op de nieuwe tafel. In Rembrandt’s tijd lag dat natuurlijk anders, maar in moderne kunststromingen gaat het vooral om de suggestie. Less is more. Sowieso. Enfin.

Van de tekening van mijn kleinzoon kon ik helemaal geen chocola maken. Terwijl hij nog om mijn nek hing en met een plakkerige hand mijn oren betastte , bedankte ik hem omstandig en vroeg toen wat het was.
‘De ruimte!’, schreeuwde hij in mijn oor. ‘Daar zit toch een deurtje!’
Ach ja, nu zag ik het, simpele ziel die ik ben. Mijn kleinzoon had – slechts 4 jaar oud – de snaar-theorie van Nambu, Nielsen en Susskind verbeeld met een deur in de ruimte! Op dat moment van opperste begeestering, zei zijn vader: ‘… een ruimteschip, hé?’
‘Ja!’, tetterde mijn kleinzoon in mijn oor. ‘Een ruimte! Schip!’
‘O nee,’ zei ik streng, ‘dit is een deurtje in de ruimte. Dat heb je zelf gezegd.’ Bovendien, wat weten ouders nu eigenlijk helemaal van kwantum fysica? Ik bewaar die tekening zorgvuldig, want ooit zal de wereld van hem horen, ook al zal maar een enkeling hem ten diepste begrijpen. 

Bekijk ook...

Koos 1976

Kroniek van een vriendschap # 2

Toen ik voor mijn uitvaartrede voor Koos van der Sloot de weg van onze vriendschap terug volgde tot voor het begin, realiseerde ik mij steeds meer hoe vreemd het was dat wij ooit vrienden werden. Achteraf beschouwd is het zelfs een wonderlijke speling van het lot, twee loten om precies te zijn. Ik ben niet iemand die in alle ernst in de sterren gelooft, en Koos al helemaal niet, maar ik denk dat het moment van onze ontmoeting precies op het juiste moment kwam.

De Koffiehûs Blues

Toen ik in de krant zag, dat Het Friesch Koffiehuis in Leeuwarden wordt gesloopt, ging ik even koppie onder in een branding van weemoed. In het bijschrift las ik dat het leegstaande pand ‘een rotte kies’ was, die voor 2018 Culturele Hoofdstad getrokken moest worden. Nou, ik kan u verzekeren, in de ogen van het establishment was Het Friesch Koffiehuis in de jaren tachtig een bek vol rotte kiezen. Juist daarom kwam ik er zo graag.

Ik was nog een snotneus.

Stiekem, bij de jassen

‘Ik kom voor de receptie,’ zei ik tegen een zwart bejurkte dame in de hal. ‘Trap op, linksaf, dan ziet u het vanzelf,’ zong ze routineus. Nog voor ik een kop koffie met oranjekoek in de handen kreeg gedrukt, zag ik Annie staan. Ik had toevallig gehoord dat ze er waarschijnlijk ook zou zijn, anders had ik mijn vroegere buurmeisje beslist niet herkend. Pas na de mooie woorden voor de pensionado liep ik haar toevallig tegen het lijf.